achterwacht
zelfstandig naamwoord ˈɑxtərˌwɑxtBetekenis
- iemand die de telefoon aanneemt voor de dienstdoende huisarts, sinds de opkomst van de huisartsenposten eigenlijk verouderd
- iemand waarop je terug kunt vallen als je er zelf niet meer uitkomt
- de achterste achterhoede, iemand die rugdekking geeft
Hoe spreek je achterwacht uit?
/ˈɑxtərˌwɑxt/
Achterwacht bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| x | acht |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| w | quiz |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| achterwachten | meervoud |
| achterwachtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| achterwachtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van achter vz en wacht zn
Woordfamilie van achterwacht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| achterwachten | meervoud | achterwacht |
| achterwachtje | verkleinwoord | achterwacht |
| achterwachtjes | verkleinwoord meervoud | achterwacht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van achterwacht zijn vastgelegd.