wachtlopen
werkwoordBetekenis
- voor een bepaalde periode een bewakingsrol vervullen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van wachtlopen
wachtlopenhele werkwoord — liep wachtverleden tijd enkelvoud — liepen wachtverleden tijd meervoud — wachtgelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop wacht | liep wacht |
| jij | loopt wacht | liep wacht |
| hij, zij, het | loopt wacht | liep wacht |
| wij | lopen wacht | liepen wacht |
| jullie | lopen wacht | liepen wacht |
| zij | lopen wacht | liepen wacht |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had wachtgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had wachtgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had wachtgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden wachtgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden wachtgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden wachtgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt wachtgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb wachtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben wachtgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben wachtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben wachtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben wachtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt wachtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft wachtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft wachtgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep wacht | verleden tijd |
| loop wacht | gebiedende wijs |
| te hebben wachtgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wachtlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wacht te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| wacht te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wacht zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| wacht zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| wacht zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| wacht zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| wacht zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| wacht zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| wacht zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| wachtgelopen | verleden tijd, deelwoord |
| wachtgelopen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wachtgelopen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| wachtliep | bijzin, verleden tijd |
| wachtliepen | bijzin, verleden tijd |
| wachtloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wachtloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wachtlopend | onvoltooid, deelwoord |
| zal wachtgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal wachtgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal wachtgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wachtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wachtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wachtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal wachtlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zou wachtgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou wachtgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou wachtgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wachtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wachtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wachtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou wachtlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) wachtlopen wacht zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden wachtgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden wachtgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden wachtgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wachtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wachtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wachtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden wachtlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt wachtgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wachtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt wachtlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen wachtgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen wachtgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen wachtgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wachtlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wachtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wachtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wachtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen wachtlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult wachtgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wachtlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult wachtlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal wachtlopen wacht zult/zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van wacht en lopen
Woordfamilie van wachtlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| liep wacht | verleden tijd | wachtlopen |
| liepen wacht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wachtlopen |
| loop wacht | gebiedende wijs | wachtlopen |
| loopt wacht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wachtlopen |
| lope wacht | woordvorm | wachtlopen |
| lopen wacht | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | wachtlopen |
| wachtgelopen | voltooid deelwoord | wachtlopen |
| wachtliep | subordinate-clause, verleden tijd | wachtlopen |
| wachtliepen | subordinate-clause, verleden tijd | wachtlopen |
| wachtloop | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wachtlopen |
| wachtloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wachtlopen |
| wachtlope | with-subordinate-clause | wachtlopen |
| wachtlopend | onvoltooid deelwoord | wachtlopen |
| wachtlopende | woordvorm | wachtlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wachtlopen zijn vastgelegd.