hondenwacht
zelfstandig naamwoord ˈhɔndə(n)ˌwɑxtBetekenis
- taak om tussen 0:00 en 04:00 over een schip te waken
- bij toerbeurt verrichte nachtelijke dienst om toezicht te houden
- overheidsfunctionaris die er in de openbare ruimte op toeziet dat hondenbezitters zich aan de voorschriften houden
Hoe spreek je hondenwacht uit?
/ˈhɔndənˌwɑxt/
Hondenwacht bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hondenwachten | meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hondenwachten | meervoud |
Herkomst
samenstelling van hond zn en wacht zn met het invoegsel -en- **v/m: omdat men op het land de bewaking 's nachts aan een waakhond overlaat
Woordfamilie van hondenwacht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hondenwachten | meervoud | hondenwacht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hondenwacht zijn vastgelegd.