macht
zelfstandig naamwoord mɑxtBetekenis
- het vermogen zijn wil op te leggen
- een staat die zijn macht doet gevoelen
- met man en ~: met inzetting van alle beschikbare middelen
- uit alle macht: met inzet van alle middelen
Hoe spreek je macht uit?
/mɑxt/
Macht bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
- een staat die zijn invloed doet gelden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [1,2]: machten | meervoud |
| [2]: machtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| [2]: machtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘vermogen’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van macht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| machte | feminine | macht |
| machtje | woordvorm | macht |
| machtjes | meervoud | macht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van macht zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- eigenmachtig
- machteloos
- machthebber
- machtig
- machtsbalans
- machtsbehoud
- machtsbelust
- machtsblok
- machtsevenwicht
- machtsgeil
- machtsgreep
- machtshonger
- machtsmiddel
- machtsmisbruik
- machtsovername
- machtspolitiek
- machtspositie
- machtsstrijd
- machtsverheffing
- machtsverhouding
- machtsvertoon
- machtswellust
- machtswellusteling
- machtswil