wachtzaal
zelfstandig naamwoord ˈwɑxtsalBetekenis
- grote ruimte in een gebouw waar mensen enige tijd kunnen verblijven voordat zij verder gaan naar hun eigenlijke bestemming
- grote ruimte in een gebouw voor de bewakers daarvan
Hoe spreek je wachtzaal uit?
/ˈwɑxtsal/
Wachtzaal bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| t | tak |
| s | sok |
| a | maan |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wachtzaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wachtzaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| wachtzalen | meervoud |
Herkomst
[1] samenstelling van wacht ww en zaal zn , leenvertaling van Frans salle d’attente
Woordfamilie van wachtzaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wachtzaaltje | verkleinwoord | wachtzaal |
| wachtzaaltjes | verkleinwoord meervoud | wachtzaal |
| wachtzalen | meervoud | wachtzaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wachtzaal zijn vastgelegd.