kracht
zelfstandig naamwoord krɑxtBetekenis
- een uitwendige oorzaak die ongehinderd door andere krachten de bewegingstoestand van een lichaam verandert
- geestelijk, zedelijk en fysiek vermogen, zie levenskracht, geestkracht, veerkracht, lichaamskracht etc.
- werking, werkzaamheid
- factor die invloed uitoefent, macht, vermogen
- werknemer, mankracht
Hoe spreek je kracht uit?
/krɑxt/
Kracht bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- uitwendige oorzaak die de bewegingstoestand van een lichaam verandert (voor zover er geen andere oorzaak is die dat tegengaat)
- geestelijk, zedelijk en fysiek vermogen, zie levenskracht, geestkracht, veerkracht, lichaamskracht
- omvang van het vermogen om veranderingen te veroorzaken
- factor die invloed uitoefent
- iemand die werkzaamheden verricht
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| krachten | meervoud |
| krachtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| krachtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘sterkte’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901.
Woordfamilie van kracht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| krachten | meervoud | kracht |
| krachtje | verkleinwoord | kracht |
| krachtjes | verkleinwoord meervoud | kracht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kracht zijn vastgelegd.