Naar de inhoud

voordoen

bij wijze van voorbeeld laten zien hoe iets gedaan hoort te worden

voordoen

werkwoord

Betekenis

  1. bij wijze van voorbeeld laten zien hoe iets gedaan hoort te worden
  2. zich ~: komen te gebeuren, zich aandienen
  3. zich ~ als: impersoneren, een bepaalde indentiteit voorwenden

werkwoord

  1. zich ~ als: impersoneren, een bepaalde identiteit voorwenden reflexive

Vervoeging van voordoen

voordoenhele werkwoord — deed voorverleden tijd enkelvoud — deden voorverleden tijd meervoud — voorgedaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doe voor deed voor
jij doet voor deed voor
hij, zij, het doet voor deed voor
wij doen voor deden voor
jullie doen voor deden voor
zij doen voor deden voor
Alle 159 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben voorgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voorgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
deed voor verleden tijd
doe u/je voor, doet je voor gebiedende wijs
doe voor gebiedende wijs
er is voorgedaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was voorgedaan impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd voorgedaan impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt voorgedaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal voorgedaan worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal voorgedaan zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou voorgedaan worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou voorgedaan zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had voorgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is voorgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is voorgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben voorgedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voordoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te doen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal doen bijzin, toekomende tijd
voor zou doen bijzin, voorwaardelijk
voor zouden doen bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt doen bijzin, voorwaardelijk
voor zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen doen bijzin, toekomende tijd
voor zult doen bijzin, toekomende tijd
voordeden bijzin, verleden tijd
voordeed bijzin, verleden tijd
voordeedt bijzin, verleden tijd
voordoe bijzin, tegenwoordige tijd
voordoend onvoltooid, deelwoord
voordoet bijzin, tegenwoordige tijd
voorgedaan verleden tijd, deelwoord
voorgedaan te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorgedaan te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorgedaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgedaan te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgedaan te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgedaan worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
voorgedaan zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
voorgedaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorgedaan zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorgedaan zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart voorgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren voorgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was voorgedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was voorgedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was voorgedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd voorgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd voorgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd voorgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden voorgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden voorgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden voorgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt voorgedaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word voorgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden voorgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden voorgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden voorgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt voorgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt voorgedaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me voordoen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal voordoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voordoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voordoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voordoen bijzin, toekomende tijd
zal voorgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal voorgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgedaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich voordoen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je voordoen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich voordoend onvoltooid, deelwoord
zich voorgedaan hebben verleden tijd
zijn voorgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn voorgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn voorgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt voorgedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou voordoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voordoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voordoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voordoen bijzin, voorwaardelijk
zou voorgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou voorgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) voordoen voor zou(dt) doen bijzin, voorwaardelijk
zouden voordoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voordoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voordoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voordoen bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt voordoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voordoen bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorgedaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorgedaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen je voordoen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons voordoen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen voordoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voordoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voordoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voordoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voordoen bijzin, toekomende tijd
zullen voorgedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon

Herkomst

samenstelling van voor bw en doen ww

Woordfamilie van voordoen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
deden voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voordoen
deed voor verleden tijd voordoen
doe voor gebiedende wijs voordoen
doen voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voordoen
doet voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voordoen
voordeden subordinate-clause, verleden tijd voordoen
voordeed subordinate-clause, verleden tijd voordoen
voordoe subordinate-clause, tegenwoordige tijd voordoen
voordoend onvoltooid deelwoord voordoen
voordoende woordvorm voordoen
voordoet subordinate-clause, tegenwoordige tijd voordoen
voorgedaan voltooid deelwoord voordoen
voorgedane woordvorm voordoen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voordoen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voordoen

Wat betekent voordoen?
Voordoen is een werkwoord. Het woord betekent: bij wijze van voorbeeld laten zien hoe iets gedaan hoort te worden. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je voordoen?
Je vervoegt voordoen als volgt: het voltooid deelwoord is voorgedaan. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voordoen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. D 2
  6. O 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voordoen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. D 2
  6. O 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 zonder bonus
  10. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voordoen in het kort

voordoen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van voordoen zijn 101 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort voordoen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

voordoen: bij wijze van voorbeeld laten zien hoe iets gedaan hoort te worden
Deel voordoen — standaardnederlands.nl