voordoen
werkwoordBetekenis
- bij wijze van voorbeeld laten zien hoe iets gedaan hoort te worden
- zich ~: komen te gebeuren, zich aandienen
- zich ~ als: impersoneren, een bepaalde indentiteit voorwenden
werkwoord
- zich ~ als: impersoneren, een bepaalde identiteit voorwenden reflexive
Vervoeging van voordoen
voordoenhele werkwoord — deed voorverleden tijd enkelvoud — deden voorverleden tijd meervoud — voorgedaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doe voor | deed voor |
| jij | doet voor | deed voor |
| hij, zij, het | doet voor | deed voor |
| wij | doen voor | deden voor |
| jullie | doen voor | deden voor |
| zij | doen voor | deden voor |
Alle 159 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben voorgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| deed voor | verleden tijd |
| doe u/je voor, doet je voor | gebiedende wijs |
| doe voor | gebiedende wijs |
| er is voorgedaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorgedaan | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorgedaan | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorgedaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorgedaan worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorgedaan zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorgedaan worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorgedaan zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorgedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is voorgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben voorgedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voordoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te doen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal doen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou doen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden doen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt doen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen doen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult doen | bijzin, toekomende tijd |
| voordeden | bijzin, verleden tijd |
| voordeed | bijzin, verleden tijd |
| voordeedt | bijzin, verleden tijd |
| voordoe | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voordoend | onvoltooid, deelwoord |
| voordoet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorgedaan | verleden tijd, deelwoord |
| voorgedaan te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgedaan te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgedaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgedaan te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgedaan te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgedaan worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgedaan zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgedaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgedaan zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgedaan zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart voorgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorgedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorgedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorgedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voorgedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd voorgedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd voorgedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden voorgedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden voorgedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden voorgedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt voorgedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word voorgedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden voorgedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden voorgedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden voorgedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voorgedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt voorgedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me voordoen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal voordoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voordoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voordoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voordoen | bijzin, toekomende tijd |
| zal voorgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorgedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich voordoen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je voordoen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich voordoend | onvoltooid, deelwoord |
| zich voorgedaan hebben | verleden tijd |
| zijn voorgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorgedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voordoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voordoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voordoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voordoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou voorgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voorgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) voordoen voor zou(dt) doen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voordoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voordoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voordoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voordoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt voordoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voordoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je voordoen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons voordoen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen voordoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voordoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voordoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voordoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voordoen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen voorgedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
Herkomst
samenstelling van voor bw en doen ww
Woordfamilie van voordoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| deden voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voordoen |
| deed voor | verleden tijd | voordoen |
| doe voor | gebiedende wijs | voordoen |
| doen voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voordoen |
| doet voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voordoen |
| voordeden | subordinate-clause, verleden tijd | voordoen |
| voordeed | subordinate-clause, verleden tijd | voordoen |
| voordoe | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voordoen |
| voordoend | onvoltooid deelwoord | voordoen |
| voordoende | woordvorm | voordoen |
| voordoet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voordoen |
| voorgedaan | voltooid deelwoord | voordoen |
| voorgedane | woordvorm | voordoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voordoen zijn vastgelegd.