Naar de inhoud

voorbereiden

handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken

voorbereiden

werkwoord ˈvorbəˌrɛidə(n)

Betekenis

  1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken

Hoe spreek je voorbereiden uit?

/ˈvorbəˌrɛidən/

Voorbereiden bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈvorbəˌrɛidən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
o boot
r rood
b bak
ə de
ɛi trein
d dak
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon

Vervoeging van voorbereiden

voorbereidenhele werkwoord — bereidde voorverleden tijd enkelvoud — bereidden voorverleden tijd meervoud — voorbereidvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bereid voor bereidde voor
jij bereidt voor bereidde voor
hij, zij, het bereidt voor bereidde voor
wij bereiden voor bereidden voor
jullie bereiden voor bereidden voor
zij bereiden voor bereidden voor
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben voorbereid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voorbereid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bereid voor gebiedende wijs
bereidde voor verleden tijd
er is voorbereid impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was voorbereid impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd voorbereid impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt voorbereid impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal voorbereid worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal voorbereid zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou voorbereid worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou voorbereid zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had voorbereid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorbereid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorbereid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorbereid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorbereid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorbereid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorbereid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorbereid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorbereid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorbereid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorbereid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorbereid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorbereid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorbereid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorbereid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is voorbereid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is voorbereid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben voorbereid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorbereiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te bereiden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen bereiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal bereiden bijzin, toekomende tijd
voor zou bereiden bijzin, voorwaardelijk
voor zouden bereiden bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt bereiden bijzin, voorwaardelijk
voor zullen bereiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen bereiden bijzin, toekomende tijd
voor zult bereiden bijzin, toekomende tijd
voorbereid verleden tijd, deelwoord
voorbereid bijzin, tegenwoordige tijd
voorbereid te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorbereid te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorbereid te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorbereid te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorbereid te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorbereid worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
voorbereid zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
voorbereid zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorbereid zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorbereid zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorbereidde bijzin, verleden tijd
voorbereidden bijzin, verleden tijd
voorbereidend onvoltooid, deelwoord
voorbereidt bijzin, tegenwoordige tijd
waart voorbereid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorbereid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren voorbereid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorbereid voltooid, verleden tijd, derde persoon
was voorbereid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was voorbereid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was voorbereid voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd voorbereid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd voorbereid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd voorbereid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden voorbereid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden voorbereid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden voorbereid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt voorbereid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word voorbereid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden voorbereid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden voorbereid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden voorbereid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt voorbereid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt voorbereid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal voorbereid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorbereid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorbereid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorbereid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorbereid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal voorbereid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorbereid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorbereiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorbereiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorbereiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorbereiden bijzin, toekomende tijd
zijn voorbereid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn voorbereid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn voorbereid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt voorbereid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou voorbereid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorbereid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorbereid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorbereid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorbereid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou voorbereid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorbereid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorbereid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorbereid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorbereiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorbereiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorbereiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorbereiden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorbereiden voor zou(dt) bereiden bijzin, voorwaardelijk
zouden voorbereid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorbereid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorbereid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorbereid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorbereid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorbereid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorbereid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorbereid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorbereid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorbereiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorbereiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorbereiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorbereiden bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorbereid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorbereid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorbereid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorbereiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorbereiden bijzin, voorwaardelijk
zullen voorbereid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorbereid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorbereid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorbereid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorbereid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorbereid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorbereid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorbereid zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorbereid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorbereiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorbereiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorbereiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorbereiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorbereiden bijzin, toekomende tijd
zult voorbereid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van voor en bereiden

Woordfamilie van voorbereiden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bereid voor gebiedende wijs voorbereiden
bereidde voor verleden tijd voorbereiden
bereidden voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorbereiden
bereide voor woordvorm voorbereiden
bereiden voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorbereiden
bereidt voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorbereiden
voorbereidde subordinate-clause, verleden tijd voorbereiden
voorbereidden subordinate-clause, verleden tijd voorbereiden
voorbereidt subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorbereiden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorbereiden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voorbereiden

Hoe spreek ik voorbereiden uit?
Zo spreek je voorbereiden uit: /ˈvorbəˌrɛidə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van voorbereiden?
Voorbereiden is een werkwoord. De betekenis is: handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken.
Hoe vervoeg ik voorbereiden?
Zo vervoeg je voorbereiden zo: het voltooid deelwoord is voorbereid. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op voorbereiden?

In dit woordenboek rijmen 45 woorden op -den op voorbereiden, zoals overlijden, vermijden en heiden. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op voorbereiden, uitspraak ˈvorbəˌrɛidən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
overlijden 4
vermijden 3
heiden 2
begeleiden 4
medelijden 4
strijden 2
scheiden 2
lijden 2
bestrijden 3
leiden 2
rijden 2
glijden 2
zijden 2
kastijden 3
onderscheiden 4
schrijden 2
overrijden 4
verleiden 3
bezijden 3
zelfmedelijden 6
verbreiden 3
hongerlijden 4
verwijden 3
ontwijden 3
rekeningrijden 5
aanbestedingsbeleiden 7
aanlooptijden 4
aanrijtijden 4
aanvangstijden 4
amstelveen 2
begeleidden 4
bergweiden 4
binnenleiden 4
breeën 2
breiden 2
emancipatiestrijden 7
gescheiden 3
hondenweiden 4
jaargetijden 4
komkommertijden 5
Nog 5 rijmwoorden
ontvoogdingsstrijden 5
openingstijden 5
prestigestrijden 5
zeiden 2
zorgtijden 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorbereiden is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. B 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. I 1
  10. D 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorbereiden levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. B 4
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. I 2
  10. D 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 zonder bonus
  14. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorbereiden in het kort

voorbereiden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van voorbereiden staan er 87 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort voorbereiden bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

voorbereiden: handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
Deel voorbereiden — standaardnederlands.nl