verzekeren
werkwoord vərˈzekərə(n)Betekenis
- verklaren dat iets toekomstigs met zekerheid te verwachten is
- tegen betaling van een premie een contract afsluiten waarbij bepaald wordt dat bij eventuele schade gedekt zal worden
Hoe spreek je verzekeren uit?
/vərˈzekərən/
Verzekeren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| z | zon |
| e | veel |
| k | kat |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- tegen betaling van een (meestal vaste) premie een contract afsluiten bij een verzekeringsmaatschappij, waarbij bepaald wordt dat bij eventuele schade gedekt zal worden transitive
Vervoeging van verzekeren
verzekerenhele werkwoord — verzekerdeverleden tijd enkelvoud — verzekerdenverleden tijd meervoud — verzekerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verzeker | verzekerde |
| jij | verzekert | verzekerde |
| hij, zij, het | verzekert | verzekerde |
| wij | verzekeren | verzekerden |
| jullie | verzekeren | verzekerden |
| zij | verzekeren | verzekerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verzekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verzekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verzekerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verzekerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verzekerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verzekerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verzekerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verzekerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verzekerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verzekerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verzekerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verzekerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verzekerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verzekerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verzekerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verzekerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verzekerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verzekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzekerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verzekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verzekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verzekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verzekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verzekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verzekerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verzekeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verzekeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzeker | gebiedende wijs |
| verzekerd | verleden tijd, deelwoord |
| verzekerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verzekerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verzekerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzekerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzekerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzekerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verzekerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verzekerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzekerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzekerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzekerde | verleden tijd |
| verzekere | aanvoegende wijs |
| verzekerend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verzekerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzekerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verzekerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzekerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verzekerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verzekerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verzekerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verzekerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verzekerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verzekerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verzekerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verzekerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verzekerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verzekerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verzekerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verzekerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verzekerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verzekerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verzekerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verzekerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verzekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verzekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verzekerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzekerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verzekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verzekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verzekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verzekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verzekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verzekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verzekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verzekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzekerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzekerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzekerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verzekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verzekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verzekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzekerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzekerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzekerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verzekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzekerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verzekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verzekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verzekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verzekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verzekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzekerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verzekerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verzekerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzekeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verzekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verzekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verzekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verzekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzekerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzekerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van zekeren met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van verzekeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verzeker | gebiedende wijs | verzekeren |
| verzekere | aanvoegende wijs | verzekeren |
| verzekerend | onvoltooid deelwoord | verzekeren |
| verzekerende | woordvorm | verzekeren |
| verzekert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verzekeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verzekeren zijn vastgelegd.