verzekeringsnemer
zelfstandig naamwoord vərˈzekərɪŋsˌnemərBetekenis
- iemand die een verzekering heeft afgesloten bij een verzekeringsmaatschappij
Hoe spreek je verzekeringsnemer uit?
/vərˈzekərɪŋsˌnemər/
Verzekeringsnemer bestaat uit zes lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| z | zon |
| e | veel |
| k | kat |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| s | sok |
| n | nek |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| verzekeringnemer | |
| verzekeringsnemers | meervoud |
Herkomst
Samenstellende afleiding van verzekering en de stam van nemen met het achtervoegsel -er met het invoegsel -s-
Woordfamilie van verzekeringsnemer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verzekeringsnemers | meervoud | verzekeringsnemer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verzekeringsnemer zijn vastgelegd.