plisseren
werkwoordBetekenis
- het aanbrengen van fijne plooien in een gesteven stof
Vervoeging van plisseren
plisserenhele werkwoord — plisseerdeverleden tijd enkelvoud — plisseerdenverleden tijd meervoud — geplisseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | plisseer | plisseerde |
| jij | plisseert | plisseerde |
| hij, zij, het | plisseert | plisseerde |
| wij | plisseren | plisseerden |
| jullie | plisseren | plisseerden |
| zij | plisseren | plisseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geplisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geplisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geplisseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geplisseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geplisseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geplisseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geplisseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geplisseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geplisseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geplisseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geplisseerd | verleden tijd, deelwoord |
| geplisseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geplisseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geplisseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geplisseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geplisseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geplisseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geplisseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geplisseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geplisseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geplisseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geplisseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geplisseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geplisseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geplisseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geplisseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geplisseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geplisseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geplisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geplisseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geplisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geplisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geplisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geplisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geplisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geplisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geplisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geplisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| plisseer | gebiedende wijs |
| plisseerde | verleden tijd |
| plissere | aanvoegende wijs |
| plisserend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geplisseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te plisseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen plisseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geplisseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geplisseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geplisseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geplisseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geplisseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geplisseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geplisseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geplisseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geplisseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geplisseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geplisseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geplisseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geplisseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geplisseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geplisseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geplisseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geplisseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geplisseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geplisseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geplisseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geplisseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geplisseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geplisseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geplisseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geplisseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geplisseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geplisseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal plisseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal plisseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal plisseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geplisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geplisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geplisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geplisseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geplisseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geplisseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geplisseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geplisseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geplisseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geplisseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geplisseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geplisseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geplisseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou plisseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou plisseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou plisseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geplisseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geplisseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geplisseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geplisseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geplisseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geplisseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geplisseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geplisseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geplisseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden plisseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden plisseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden plisseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geplisseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geplisseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geplisseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt plisseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geplisseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geplisseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geplisseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geplisseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geplisseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geplisseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geplisseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geplisseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geplisseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen plisseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen plisseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen plisseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen plisseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geplisseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geplisseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geplisseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult plisseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘fijn plooien’ voor het eerst aangetroffen in 1884
Woordfamilie van plisseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geplisseerd | voltooid deelwoord | plisseren |
| plisseer | gebiedende wijs | plisseren |
| plisseerde | verleden tijd | plisseren |
| plisseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | plisseren |
| plisseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | plisseren |
| plissere | aanvoegende wijs | plisseren |
| plisserend | onvoltooid deelwoord | plisseren |
| plisserende | woordvorm | plisseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plisseren zijn vastgelegd.