plint
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een op vloerhoogte tegen een wand aangebrachte lijst, die de overgang tussen vloer en wand moet vormen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| plinten | meervoud |
| plintje | verkleinwoord, enkelvoud |
| plintjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voetlijst’ voor het eerst aangetroffen in 1621
Woordfamilie van plint
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plinten | meervoud | plint |
| plintje | verkleinwoord | plint |
| plintjes | verkleinwoord meervoud | plint |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plint zijn vastgelegd.