schat
zelfstandig naamwoord, werkwoord sxɑtBetekenis
- verzamelde rijkdom
- iemand die gevoelens van liefde of vertedering opwekt
Hoe spreek je schat uit?
/sxɑt/
Schat bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɑ | bad |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| 2. schatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| 2. schatjes | verkleinwoord, meervoud |
| schatten | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van schatten
- gebiedende wijs van schatten
Vervoeging van schat
schathele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands schat / scat van Oudnederlands skat, in de betekenis van ‘waardevol bezit’ aangetroffen vanaf 1240
Woordfamilie van schat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schatjes | meervoud | schat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schat zijn vastgelegd.