fat
zelfstandig naamwoord fɑtBetekenis
- modegek, iemand die buitensporige aandacht aan zijn uiterlijk besteedt
- vet
- dik
- dom, onnozel.
- opzichtig
- pot
- deken
- jurk
- herbergen
Hoe spreek je fat uit?
/fɑt/
Fat bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| ɑ | bad |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fatjes | verkleinwoord, meervoud |
| fatten | meervoud |
Herkomst
van Frans fat bn "dom", in de betekenis van ‘modegek, dandy’ voor het eerst aangetroffen in 1698
Woordfamilie van fat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fatje | verkleinwoord | fat |
| fatjes | verkleinwoord meervoud | fat |
| fatten | meervoud | fat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fat zijn vastgelegd.