Naar de inhoud

platlopen

door lopen iets plat maken

platlopen

werkwoord ˈplɑtlopə(n)

Betekenis

  1. door lopen iets plat maken
  2. ergens zo vaak naartoe gaan dat het kapot gaat

Hoe spreek je platlopen uit?

/ˈplɑtlopən/

Platlopen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈplɑtlopən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
p pak
l land
ɑ bad
t tak
o boot
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van platlopen

platlopenhele werkwoord — liep platverleden tijd enkelvoud — liepen platverleden tijd meervoud — platgelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop plat liep plat
jij loopt plat liep plat
hij, zij, het loopt plat liep plat
wij lopen plat liepen plat
jullie lopen plat liepen plat
zij lopen plat liepen plat
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben platgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent platgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is platgelopen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was platgelopen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd platgelopen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt platgelopen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal platgelopen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal platgelopen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou platgelopen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou platgelopen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had platgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had platgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had platgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden platgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden platgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden platgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt platgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb platgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben platgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben platgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben platgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben platgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt platgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft platgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft platgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is platgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is platgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep plat verleden tijd
loop plat gebiedende wijs
plat te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
plat te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
plat zal lopen bijzin, toekomende tijd
plat zou lopen bijzin, voorwaardelijk
plat zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
plat zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
plat zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
plat zullen lopen bijzin, toekomende tijd
plat zult lopen bijzin, toekomende tijd
platgelopen verleden tijd, deelwoord
platgelopen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
platgelopen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
platgelopen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
platgelopen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
platgelopen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
platgelopen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
platgelopen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
platgelopen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
platgelopen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
platgelopen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
platliep bijzin, verleden tijd
platliepen bijzin, verleden tijd
platloop bijzin, tegenwoordige tijd
platloopt bijzin, tegenwoordige tijd
platlopend onvoltooid, deelwoord
te hebben platgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen platlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart platgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren platgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren platgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren platgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was platgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was platgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was platgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd platgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd platgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd platgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden platgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden platgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden platgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt platgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word platgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden platgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden platgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden platgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt platgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt platgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal platgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal platgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal platgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal platgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal platgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal platgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal platgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal platlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal platlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal platlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal platlopen bijzin, toekomende tijd
zijn platgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn platgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn platgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt platgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou platgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou platgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou platgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou platgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou platgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou platgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou platgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou platgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou platgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou platlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou platlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou platlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou platlopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) platlopen plat zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden platgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden platgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden platgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden platgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden platgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden platgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden platgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden platgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden platgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden platlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden platlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden platlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden platlopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt platgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt platgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt platgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt platlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt platlopen bijzin, voorwaardelijk
zullen platgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen platgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen platgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen platgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen platgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen platgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen platgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen platgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen platgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen platlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen platlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen platlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen platlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen platlopen bijzin, toekomende tijd
zult platgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van plat bn en lopen ww

Woordfamilie van platlopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
liep plat verleden tijd platlopen
liepen plat aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon platlopen
loop plat gebiedende wijs platlopen
loopt plat aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon platlopen
lope plat woordvorm platlopen
lopen plat aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon platlopen
platgelopen voltooid deelwoord platlopen
platliep subordinate-clause, verleden tijd platlopen
platliepen subordinate-clause, verleden tijd platlopen
platloop subordinate-clause, tegenwoordige tijd platlopen
platloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd platlopen
platlope with-subordinate-clause platlopen
platlopend onvoltooid deelwoord platlopen
platlopende woordvorm platlopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van platlopen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over platlopen

Hoe spreek ik platlopen uit?
Zo spreek je platlopen uit: /ˈplɑtlopə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van platlopen?
Platlopen is een werkwoord. De betekenis is: door lopen iets plat maken. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik platlopen?
Zo vervoeg je platlopen zo: het voltooid deelwoord is platgelopen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord platlopen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. L 3
  3. A 1
  4. T 2
  5. L 3
  6. O 1
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

platlopen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. L 3
  3. A 1
  4. T 2
  5. L 3
  6. O 1
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

platlopen in het kort

platlopen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van platlopen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort platlopen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

platlopen: door lopen iets plat maken
Deel platlopen — standaardnederlands.nl