gat
zelfstandig naamwoord ɣɑtBetekenis
- opening of holte
- overdrachtelijk: een tekort of ontbrekend deel
- (meervoud) gaten: oog|ogen
- (verkleinwoord) gaatje: een geval van tandwolf
- (dim gatje) achterste
- kat
Hoe spreek je gat uit?
/xɑt/
Gat bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɑ | bad |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een tekort of ontbrekend deel
- gaten: ogen plural
- gaatje: een geval van tandwolf diminutive
- kleine plaats (meestal een dorp of gehucht) met maar heel weinig inwoners pejorative
- achterste
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gatje | verkleinwoord |
| gatjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| gatten | enkelvoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘opening’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236. In de betekenis van ‘anus, achterwerk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1481
Woordfamilie van gat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaatje | woordvorm | gat |
| gaatjes | meervoud | gat |
| gaten | meervoud | gat |
| gatje | verkleinwoord | gat |
| gatjes | verkleinwoord | gat |
| gatten | enkelvoud | gat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gat zijn vastgelegd.