paal
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een langwerpig stuk materiaal dat in de grond staat
- een stijve penis
- een doelpaal
- een loodrechte band midden over een wapenschild
zelfstandig naamwoord — masculine
- een penis in erectie informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| paaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| paaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| palen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van palen
- gebiedende wijs van palen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van palen
Vervoeging van paal
paalhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘mannelijk lid in erectie’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1967
Woordfamilie van paal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paaltje | verkleinwoord | paal |
| paaltjes | verkleinwoord meervoud | paal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paal zijn vastgelegd.