do
zelfstandig naamwoord doBetekenis
- (Nederland) een bepaalde toon, die de grondtoon van een melodie aangeeft
- (Vlaanderen) een toon van een bepaalde frequentie, die in andere systemen met C aangegeven wordt
- donderdag, de vierde dag van de werkweek
- de naam van de grondtoon in solmisatie
- informeel feestje, partijtje
- informeel kapsel
- iets dat gedaan hoort te worden
- daad, handeling
- gedoe, opschudding, rel
- doen
- de muziektoon “c” of ook “do”
- duif
- tweede persoon enkelvoud informeel: jij
- (met aspiratie voor een vrouwelijk woord) jouw
- daar
- in, naar
- do
- bestekamer, closet, gemak, plee, toilet, wc, WC
- daar, hier
- voor
- naar, in
- hier
- zo, toen
- hie, hier
- dann
- de
- aan, tot
- tot
- in, per
- v
- za
- z / ze
Hoe spreek je do uit?
/do/
Do bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| o | boot |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een bepaalde toon, die de grondtoon van een melodie aangeeft
- een toon van een bepaalde frequentie, die in andere systemen met C aangegeven wordt Flanders
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| do's | meervoud |
| dootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dootjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| do's | meervoud |
| dootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dootjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
v/m uit het Italiaans overgenomen wijziging van de vroegere benaming ut, als verwijzing naar Latijn Dominus of mogelijk ook naar de achternaam van de Italiaanse musicoloog Giovanni Battista Doni die in de 17e eeuw deze naamswijziging bedacht, in de betekenis van ‘muzieknoot’ voor het eerst aangetroffen in 1601
Woordfamilie van do
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| do's | meervoud | do |
| dootje | verkleinwoord | do |
| dootjes | verkleinwoord meervoud | do |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van do zijn vastgelegd.