niet
bijwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord nitBetekenis
- ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
- zo niet: niet op deze wijze
- klein, vaak beugelvormig, metaal|metalen voorwerp dat uit een apparaat (nietmachine) komt met het doel verschillende materiaal|materialen aan elkaar te bevestigen (vastnieten|vast te nieten). Bijna altijd aan gerefereerd als nietje.
- een loterijlot waarop geen prijs valt
Hoe spreek je niet uit?
/nit/
Niet bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| i | riet |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (bijwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] niet | canonical |
| níét |
zelfstandig naamwoord — masculine
- loterijlot waarop geen prijs valt
zelfstandig naamwoord — neuter
- wat onbestaand is, absolute leegte no-plural
zelfstandig naamwoord — masculine
- klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden die met een daarvoor bestemd apparaat krachtig door een of meer vlakke lagen worden geduwd zodat ze zich vervormen en zo die lagen aan elkaar of aan een ondergrond vastmaken
- straatmeubilair in de vorm van een grote metalen beugel waartegen fietsen gestald kunnen worden figuratively
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van nieten
- gebiedende wijs van nieten
Vervoeging van niet
niethele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] niet | canonical |
Herkomst
afkomstig van:
Woordfamilie van niet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nietjes | meervoud | niet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van niet zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- niet-aflatend
- niet-begrijpend
- niet-essentieel
- niet-euclidisch
- niet-gelovig
- niet-godsdienstig
- niet-inkomensafhankelijk
- niet-jood
- niet-kwetsbaar
- niet-moslim
- niet-officieel
- niet-ontvankelijk
- niet-openbaar
- niet-opgelost
- niet-roker
- niet-royeerbaar
- niet-strafbaar
- niet-westers
- niet-zichtbaar
- nietapparaat
- nieteling
- nieten
- nieter
- nietig