gebied
zelfstandig naamwoord, werkwoord ɣəˈbitBetekenis
- een deel van het aardoppervlak
- alle dingen die behoren tot een tak van het onderwijs, de kunst en/of de wetenschap
Hoe spreek je gebied uit?
/xəˈbit/
Gebied bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| b | bak |
| i | riet |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gebieden | meervoud |
| gebiedje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gebiedjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebieden
- gebiedende wijs van gebieden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebieden
Vervoeging van gebied
gebiedhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘streek waarover een macht heerst’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Woordfamilie van gebied
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gebiedje | verkleinwoord | gebied |
| gebiedjes | verkleinwoord meervoud | gebied |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gebied zijn vastgelegd.