monoliet
zelfstandig naamwoord ˌmonoˈlitBetekenis
- zuil uit een stuk
Hoe spreek je monoliet uit?
/ˌmonoˈlit/
Monoliet bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| o | boot |
| n | nek |
| l | land |
| i | riet |
| t | tak |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| monolieten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bouwdeel uit één stuk steen’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van monoliet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| monolieten | meervoud | monoliet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van monoliet zijn vastgelegd.