misdragen
werkwoord mɪsˈdraɣə(n)Betekenis
- zich ~: gedrag vertonen dat niet door de beugel kan
Hoe spreek je misdragen uit?
/mɪsˈdraxən/
Misdragen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| d | dak |
| r | rood |
| a | maan |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van misdragen
misdragenhele werkwoord — misdragenvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| misdraag me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| misdraag u/je , misdraagt je | gebiedende wijs |
| misdraagt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| misdraagt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| misdraagt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| misdraagt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| misdraagt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| misdraagt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| misdrage zich | aanvoegende wijs |
| misdragen | verleden tijd, deelwoord |
| misdragen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| misdragen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| misdragen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| misdroeg | verleden tijd |
| misdroeg je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| misdroeg me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| misdroeg u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| misdroeg u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| misdroeg zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| misdroeg zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| misdroeg zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| misdroegen je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| misdroegen ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| misdroegen zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| zal me misdragen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich misdragen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je misdragen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich misdragen hebben | verleden tijd |
| zich misdragend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je misdragen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons misdragen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich misdragen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u misdragen | tweede persoon |
| zult u misdragen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u misdragen | tweede persoon |
| zult zich/u misdragen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van misdragen
Vervoeging van misdragen
misdragenhele werkwoord — misdragenvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| misdraag me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| misdraag u/je , misdraagt je | gebiedende wijs |
| misdraagt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| misdraagt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| misdraagt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| misdraagt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| misdraagt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| misdraagt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| misdrage zich | aanvoegende wijs |
| misdragen | verleden tijd, deelwoord |
| misdragen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| misdragen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| misdragen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| misdroeg | verleden tijd |
| misdroeg je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| misdroeg me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| misdroeg u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| misdroeg u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| misdroeg zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| misdroeg zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| misdroeg zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| misdroegen je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| misdroegen ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| misdroegen zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| zal me misdragen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich misdragen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je misdragen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich misdragen hebben | verleden tijd |
| zich misdragend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je misdragen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons misdragen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich misdragen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u misdragen | tweede persoon |
| zult u misdragen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u misdragen | tweede persoon |
| zult zich/u misdragen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
samenstelling van mis en dragen ww
Woordfamilie van misdragen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| misdraag | woordvorm | misdragen |
| misdraagt | woordvorm | misdragen |
| misdrage | woordvorm | misdragen |
| misdragend | woordvorm | misdragen |
| misdragende | woordvorm | misdragen |
| misdroeg | verleden tijd | misdragen |
| misdroegen | woordvorm | misdragen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van misdragen zijn vastgelegd.