aanhangwagen
zelfstandig naamwoord ˈanhɑŋˌwaɣə(n)Betekenis
- een wagen die gekoppeld wordt achter een aangedreven wagen en zo vooruitgetrokken wordt
Hoe spreek je aanhangwagen uit?
/ˈanhɑŋˌwaxən/
Aanhangwagen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| w | quiz |
| x | acht |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aanhangwagens | meervoud |
| aanhangwagentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aanhangwagentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘wagen die door andere wordt voortgetrokken’ voor het eerst aangetroffen in 1934
Woordfamilie van aanhangwagen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanhangwagens | meervoud | aanhangwagen |
| aanhangwagentje | verkleinwoord | aanhangwagen |
| aanhangwagentjes | verkleinwoord meervoud | aanhangwagen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanhangwagen zijn vastgelegd.