verdragen
werkwoord, zelfstandig naamwoord vərˈdraɣə(n)Betekenis
- bestand zijn tegen (iets ergs)
- (voedsel) kunnen verteren
Hoe spreek je verdragen uit?
/vərˈdraxən/
Verdragen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| d | dak |
| a | maan |
| x | acht |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- kunnen verteren transitive
Vervoeging van verdragen
verdragenhele werkwoord — verdroegverleden tijd enkelvoud — verdroegenverleden tijd meervoud — verdragenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verdraag | verdroeg |
| jij | verdraagt | verdroeg |
| hij, zij, het | verdraagt | verdroeg |
| wij | verdragen | verdroegen |
| jullie | verdragen | verdroegen |
| zij | verdragen | verdroegen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verdragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verdragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verdragen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verdragen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verdragen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verdragen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verdragen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verdragen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verdragen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verdragen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verdragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verdragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verdragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verdragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verdragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verdragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verdragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verdragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdragen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verdragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verdragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verdragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verdragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verdragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verdragen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verdragen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verdragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdraag | gebiedende wijs |
| verdrage | aanvoegende wijs |
| verdragen | verleden tijd, deelwoord |
| verdragen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verdragen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verdragen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdragen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdragen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdragen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verdragen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verdragen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdragen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdragen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdragend | onvoltooid, deelwoord |
| verdroeg | verleden tijd |
| waart verdragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verdragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verdragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verdragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verdragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verdragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verdragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verdragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verdragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verdragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verdragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verdragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verdragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verdragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verdragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verdragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verdragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verdragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verdragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verdragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verdragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verdragen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdragen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verdragen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verdragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verdragen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdragen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verdragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verdragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verdragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verdragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verdragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verdragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verdragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verdragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verdragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verdragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verdragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verdragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verdragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verdragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verdragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verdragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verdragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verdragen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verdragen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verdragen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verdragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verdragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verdragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verdragen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verdragen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verdragen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verdragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verdragen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verdragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verdragen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord verdrag
Herkomst
Afgeleid van dragen met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van verdragen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verdraag | gebiedende wijs | verdragen |
| verdraagt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verdragen |
| verdrage | aanvoegende wijs | verdragen |
| verdroeg | verleden tijd | verdragen |
| verdroegen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verdragen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verdragen zijn vastgelegd.