gedragen
werkwoord ɣəˈdraɣə(n)Betekenis
- zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
Hoe spreek je gedragen uit?
/xəˈdraxən/
Gedragen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| d | dak |
| r | rood |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van gedragen
gedragenhele werkwoord — gedragenvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gedraag me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| gedraag u/je , gedraagt je | gebiedende wijs |
| gedraagt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| gedraagt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| gedraagt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| gedraagt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| gedraagt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| gedraagt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| gedrage zich | aanvoegende wijs |
| gedragen | verleden tijd, deelwoord |
| gedragen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| gedragen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| gedragen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| gedroeg | verleden tijd |
| gedroeg je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| gedroeg me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| gedroeg u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| gedroeg u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| gedroeg zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| gedroeg zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| gedroeg zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| gedroegen je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| gedroegen ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| gedroegen zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| zal me gedragen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich gedragen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je gedragen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gedragen hebben | verleden tijd |
| zich gedragend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je gedragen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons gedragen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich gedragen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u gedragen | tweede persoon |
| zult u gedragen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u gedragen | tweede persoon |
| zult zich/u gedragen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van dragen
- voltooid deelwoord van gedragen
Vervoeging van gedragen
gedragenhele werkwoord — gedragenvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gedraag me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| gedraag u/je , gedraagt je | gebiedende wijs |
| gedraagt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| gedraagt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| gedraagt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| gedraagt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| gedraagt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| gedraagt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| gedrage zich | aanvoegende wijs |
| gedragen | verleden tijd, deelwoord |
| gedragen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| gedragen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| gedragen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| gedroeg | verleden tijd |
| gedroeg je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| gedroeg me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| gedroeg u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| gedroeg u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| gedroeg zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| gedroeg zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| gedroeg zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| gedroegen je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| gedroegen ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| gedroegen zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| zal me gedragen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich gedragen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je gedragen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gedragen hebben | verleden tijd |
| zich gedragend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je gedragen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons gedragen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich gedragen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u gedragen | tweede persoon |
| zult u gedragen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u gedragen | tweede persoon |
| zult zich/u gedragen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘(zich ~) handelen, doen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1712
Woordfamilie van gedragen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gedraag | woordvorm | gedragen |
| gedraagt | woordvorm | gedragen |
| gedrage | woordvorm | gedragen |
| gedragend | woordvorm | gedragen |
| gedragende | woordvorm | gedragen |
| gedroeg | verleden tijd | gedragen |
| gedroegen | woordvorm | gedragen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gedragen zijn vastgelegd.