bedragen
werkwoord, zelfstandig naamwoord bəˈdraɣə(n)Betekenis
- de som gelds die iets kost
- de grootte van iets
Hoe spreek je bedragen uit?
/bəˈdraxən/
Bedragen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| d | dak |
| r | rood |
| a | maan |
| x | acht |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bedragen
bedragenhele werkwoord — bedroegverleden tijd enkelvoud — bedroegenverleden tijd meervoud — bedragenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bedraag | bedroeg |
| jij | bedraagt | bedroeg |
| hij, zij, het | bedraagt | bedroeg |
| wij | bedragen | bedroegen |
| jullie | bedragen | bedroegen |
| zij | bedragen | bedroegen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bedraag | gebiedende wijs |
| bedrage | aanvoegende wijs |
| bedragen | verleden tijd, deelwoord |
| bedragen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bedragen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bedragend | onvoltooid, deelwoord |
| bedroeg | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bedragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bedragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bedragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bedragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bedragen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bedragen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bedragen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bedragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bedragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bedragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bedragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bedragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bedragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bedragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bedragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bedragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bedragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bedragen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bedragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bedragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bedragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bedragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bedragen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bedrag
Woordvorm
- voltooid deelwoord van bedragen
Vervoeging van bedragen
bedragenhele werkwoord
Herkomst
afgeleid van dragen met het voorvoegsel be- (infinitief)
Woordfamilie van bedragen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bedraag | gebiedende wijs | bedragen |
| bedraagt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bedragen |
| bedragend | onvoltooid deelwoord | bedragen |
| bedragende | woordvorm | bedragen |
| bedroeg | verleden tijd | bedragen |
| bedroegen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bedragen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bedragen zijn vastgelegd.