beklagen
werkwoord, zelfstandig naamwoord bəˈklaɣə(n)Betekenis
- zich ~: ontevredenheid uiten, klachten indienen
- iemands leed bejammeren
- sich ~: zich .
Hoe spreek je beklagen uit?
/bəˈklaxən/
Beklagen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| k | kat |
| l | land |
| a | maan |
| x | acht |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van beklagen
beklagenhele werkwoord — beklaagdeverleden tijd enkelvoud — beklaagdenverleden tijd meervoud — beklaagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beklaag | beklaagde |
| jij | beklaagt | beklaagde |
| hij, zij, het | beklaagt | beklaagde |
| wij | beklagen | beklaagden |
| jullie | beklagen | beklaagden |
| zij | beklagen | beklaagden |
Alle 169 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| beklaag | gebiedende wijs |
| beklaag me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beklaag u/je , beklaagt je | gebiedende wijs |
| beklaagd | verleden tijd, deelwoord |
| beklaagd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beklaagd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beklaagd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beklaagd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beklaagd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beklaagd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beklaagd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beklaagd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beklaagd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beklaagd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beklaagde bekloeg zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| beklaagde bekloeg zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beklaagde | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beklaagde | verleden tijd |
| beklaagde | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| beklaagde | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beklaagde | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beklaagde | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beklaagden | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| beklaagden | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| beklaagden | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| beklaagt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beklaagt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beklaagt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beklaagt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| beklaagt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| beklaagt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beklage | aanvoegende wijs |
| beklage zich | aanvoegende wijs |
| beklagen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beklagen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beklagen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| beklagend | onvoltooid, deelwoord |
| bekloeg | verleden tijd |
| bekloeg je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bekloeg me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bekloeg u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bekloeg u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bekloeg zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bekloegen je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bekloegen ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| bekloegen zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| ben beklaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beklaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is beklaagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beklaagd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beklaagd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beklaagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beklaagd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beklaagd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beklaagd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beklaagd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beklaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beklaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beklaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beklaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beklaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beklaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beklaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beklaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beklaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beklaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beklaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beklaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beklaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beklaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beklaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beklaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beklaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beklagen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beklaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beklagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beklaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beklaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beklaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beklaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beklaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beklaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beklaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beklaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beklaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beklaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beklaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beklaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beklaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beklaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beklaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beklaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beklaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beklaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beklaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beklaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beklaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beklaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beklaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beklaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beklaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beklaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beklaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beklagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beklagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beklagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me beklagen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich beklagen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je beklagen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich beklaagd hebben | verleden tijd |
| zich beklagend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn beklaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beklaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beklaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beklaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beklaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beklaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beklaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beklaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beklaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beklaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beklaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beklaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beklaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beklagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beklagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beklagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beklaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beklaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beklaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beklaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beklaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beklaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beklaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beklaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beklaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beklagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beklagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord beklag
Herkomst
Afgeleid van klagen met het voorvoegsel be-.
Woordfamilie van beklagen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beklaag | gebiedende wijs | beklagen |
| beklaagd | voltooid deelwoord | beklagen |
| beklaagt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beklagen |
| beklage | aanvoegende wijs | beklagen |
| beklagend | onvoltooid deelwoord | beklagen |
| beklagende | woordvorm | beklagen |
| bekloeg | verleden tijd | beklagen |
| bekloegen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beklagen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beklagen zijn vastgelegd.