slagen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈslaɣə(n)Betekenis
- ~ in: iets bereiken
- het examen succesvol beëindigen
- goed aflopen
Hoe spreek je slagen uit?
/ˈslaxən/
Slagen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| a | maan |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- goed aflopen; succesvol aflopen ergative
- iets succesvol afsluiten
Vervoeging van slagen
slagenhele werkwoord — slaagdeverleden tijd enkelvoud — slaagdenverleden tijd meervoud — geslaagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | slaag | slaagde |
| jij | slaagt | slaagde |
| hij, zij, het | slaagt | slaagde |
| wij | slagen | slaagden |
| jullie | slagen | slaagden |
| zij | slagen | slaagden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geslaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geslaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| geslaagd | verleden tijd, deelwoord |
| geslaagd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geslaagd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geslaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geslaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| slaag | gebiedende wijs |
| slaagde | verleden tijd |
| slage | aanvoegende wijs |
| slagend | onvoltooid, deelwoord |
| te slagen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geslaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen slagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geslaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geslaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geslaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geslaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geslaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geslaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geslaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal geslaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geslaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geslaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal slagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal slagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal slagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geslaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geslaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geslaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geslaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geslaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geslaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geslaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geslaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou slagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou slagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou slagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geslaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geslaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geslaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden slagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden slagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden slagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geslaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt slagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geslaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geslaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geslaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen slagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen slagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen slagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen slagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geslaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult slagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord slag
Herkomst
In de betekenis van ‘gelukken’ voor het eerst aangetroffen in 1596
Woordfamilie van slagen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| slaagde | verleden tijd | slagen |
| slaagden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | slagen |
| slaagt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | slagen |
| slage | aanvoegende wijs | slagen |
| slagend | onvoltooid deelwoord | slagen |
| slagende | woordvorm | slagen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slagen zijn vastgelegd.