lekkerbekken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- smullen
- watertanden
Vervoeging van lekkerbekken
lekkerbekkenhele werkwoord — lekkerbekteverleden tijd enkelvoud — lekkerbektenverleden tijd meervoud — gelekkerbektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lekkerbek | lekkerbekte |
| jij | lekkerbekt | lekkerbekte |
| hij, zij, het | lekkerbekt | lekkerbekte |
| wij | lekkerbekken | lekkerbekten |
| jullie | lekkerbekken | lekkerbekten |
| zij | lekkerbekken | lekkerbekten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gelekkerbekt | verleden tijd, deelwoord |
| gelekkerbekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelekkerbekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelekkerbekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelekkerbekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelekkerbekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelekkerbekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelekkerbekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelekkerbekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelekkerbekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelekkerbekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelekkerbekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelekkerbekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelekkerbekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelekkerbekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelekkerbekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelekkerbekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelekkerbekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lekkerbek | gebiedende wijs |
| lekkerbekke | aanvoegende wijs |
| lekkerbekkend | onvoltooid, deelwoord |
| lekkerbekte | verleden tijd |
| te hebben gelekkerbekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te lekkerbekken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lekkerbekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelekkerbekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelekkerbekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelekkerbekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lekkerbekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lekkerbekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lekkerbekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelekkerbekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelekkerbekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelekkerbekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lekkerbekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lekkerbekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lekkerbekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelekkerbekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelekkerbekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelekkerbekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lekkerbekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lekkerbekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lekkerbekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelekkerbekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lekkerbekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelekkerbekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelekkerbekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelekkerbekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lekkerbekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lekkerbekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lekkerbekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lekkerbekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelekkerbekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lekkerbekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord lekkerbek
Herkomst
samenstelling van lekker en bekken
Woordfamilie van lekkerbekken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelekkerbekt | voltooid deelwoord | lekkerbekken |
| lekkerbekke | aanvoegende wijs | lekkerbekken |
| lekkerbekkend | onvoltooid deelwoord | lekkerbekken |
| lekkerbekkende | woordvorm | lekkerbekken |
| lekkerbekt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lekkerbekken |
| lekkerbekte | verleden tijd | lekkerbekken |
| lekkerbekten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lekkerbekken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lekkerbekken zijn vastgelegd.