bekrachtigen
werkwoord bəˈkrɑxtəɣə(n)Betekenis
- extra kracht bijzetten
- kracht van wet geven, bevestigen
Hoe spreek je bekrachtigen uit?
/bəˈkrɑxtəxən/
Bekrachtigen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| k | kat |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| t | tak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bekrachtigen
bekrachtigenhele werkwoord — bekrachtigdeverleden tijd enkelvoud — bekrachtigdenverleden tijd meervoud — bekrachtigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bekrachtig | bekrachtigde |
| jij | bekrachtigt | bekrachtigde |
| hij, zij, het | bekrachtigt | bekrachtigde |
| wij | bekrachtigen | bekrachtigden |
| jullie | bekrachtigen | bekrachtigden |
| zij | bekrachtigen | bekrachtigden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| bekrachtig | gebiedende wijs |
| bekrachtigd | verleden tijd, deelwoord |
| bekrachtigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bekrachtigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bekrachtigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bekrachtigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bekrachtigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bekrachtigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bekrachtigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bekrachtigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bekrachtigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bekrachtigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bekrachtigde | verleden tijd |
| bekrachtige | aanvoegende wijs |
| bekrachtigend | onvoltooid, deelwoord |
| ben bekrachtigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bekrachtigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is bekrachtigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bekrachtigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bekrachtigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bekrachtigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bekrachtigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bekrachtigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bekrachtigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bekrachtigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bekrachtigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bekrachtigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bekrachtigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bekrachtigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bekrachtigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bekrachtigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bekrachtigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bekrachtigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bekrachtigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bekrachtigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bekrachtigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bekrachtigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bekrachtigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bekrachtigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bekrachtigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bekrachtigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bekrachtigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bekrachtigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bekrachtigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bekrachtigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bekrachtigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bekrachtigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bekrachtigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bekrachtigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bekrachtigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bekrachtigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bekrachtigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bekrachtigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bekrachtigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bekrachtigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bekrachtigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bekrachtigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bekrachtigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bekrachtigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bekrachtigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bekrachtigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bekrachtigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bekrachtigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bekrachtigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bekrachtigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bekrachtigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bekrachtigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bekrachtigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bekrachtigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bekrachtigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bekrachtigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bekrachtigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bekrachtigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bekrachtigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bekrachtigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn bekrachtigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bekrachtigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bekrachtigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bekrachtigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bekrachtigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bekrachtigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bekrachtigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bekrachtigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bekrachtigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bekrachtigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bekrachtigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bekrachtigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bekrachtigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bekrachtigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bekrachtigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bekrachtigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bekrachtigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bekrachtigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bekrachtigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bekrachtigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bekrachtigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bekrachtigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bekrachtigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bekrachtigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bekrachtigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bekrachtigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bekrachtigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bekrachtigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bekrachtigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bekrachtigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bekrachtigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bekrachtigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bekrachtigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bekrachtigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bekrachtigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bekrachtigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bekrachtigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bekrachtigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bekrachtigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bekrachtigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bekrachtigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bekrachtigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bekrachtigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bekrachtigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bekrachtigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult bekrachtigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bekrachtigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bekrachtigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bekrachtigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van kracht met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -ig
Woordfamilie van bekrachtigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bekrachtig | gebiedende wijs | bekrachtigen |
| bekrachtigd | voltooid deelwoord | bekrachtigen |
| bekrachtigde | verleden tijd | bekrachtigen |
| bekrachtigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bekrachtigen |
| bekrachtige | aanvoegende wijs | bekrachtigen |
| bekrachtigend | onvoltooid deelwoord | bekrachtigen |
| bekrachtigende | woordvorm | bekrachtigen |
| bekrachtigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bekrachtigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bekrachtigen zijn vastgelegd.