kraken
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈkrakə(n)/Betekenis
- een krakend geluid maken
- openbreken
- inbreken in iemands computer
- een leegstaand pand illegaal bewonen
- er heel negatief over spreken of schrijven
- een chiropractische handeling verrichten op iemands ruggengraat
- een techniek voor het vervaardigen van chemische producten uit aardolie
- een fabeldier met enorme afmetingen en met enorme tentakels.
Hoe spreek je kraken uit?
/ˈkrakən/
Kraken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| a | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van kraken
krakenhele werkwoord — kraakteverleden tijd enkelvoud — kraaktenverleden tijd meervoud — gekraaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kraak | kraakte |
| jij | kraakt | kraakte |
| hij, zij, het | kraakt | kraakte |
| wij | kraken | kraakten |
| jullie | kraken | kraakten |
| zij | kraken | kraakten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gekraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gekraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gekraakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekraakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekraakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekraakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekraakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekraakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekraakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekraakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekraakt | verleden tijd, deelwoord |
| gekraakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekraakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekraakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekraakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekraakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekraakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekraakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekraakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekraakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekraakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekraakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gekraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gekraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kraak | gebiedende wijs |
| kraakte | verleden tijd |
| krake | aanvoegende wijs |
| krakend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekraakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kraken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kraken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gekraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gekraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gekraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gekraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gekraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gekraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gekraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gekraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gekraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gekraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gekraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gekraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gekraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gekraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gekraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gekraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gekraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gekraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gekraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gekraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gekraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kraken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kraken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kraken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gekraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gekraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gekraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gekraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gekraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gekraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gekraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kraken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kraken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kraken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gekraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gekraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kraken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kraken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kraken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kraken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gekraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gekraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kraken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kraken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kraken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kraken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kraken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kraak
Herkomst
In de betekenis van ‘een scherp geluid maken’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Woordfamilie van kraken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekraakt | voltooid deelwoord | kraken |
| gekraakte | woordvorm | kraken |
| kraakt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kraken |
| kraakte | verleden tijd | kraken |
| kraakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kraken |
| krake | aanvoegende wijs | kraken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kraken zijn vastgelegd.