gokken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɣɔkə(n)Betekenis
- iets van waarde, veelal geld, inzetten op de mogelijke uitkomst van iets onzekers
Hoe spreek je gokken uit?
/ˈxɔkən/
Gokken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɔ | bot |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van gokken
gokkenhele werkwoord — gokteverleden tijd enkelvoud — goktenverleden tijd meervoud — gegoktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gok | gokte |
| jij | gokt | gokte |
| hij, zij, het | gokt | gokte |
| wij | gokken | gokten |
| jullie | gokken | gokten |
| zij | gokken | gokten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gegokt | verleden tijd, deelwoord |
| gegokt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegokt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gok | gebiedende wijs |
| gokke | aanvoegende wijs |
| gokkend | onvoltooid, deelwoord |
| gokte | verleden tijd |
| had gegokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gokken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegokt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegokt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegokt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegokt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord gok
Herkomst
via Bargoens, vernederlandste (waarschijnlijk Amsterdamse) vorm van Jiddisch (zchokken) “spelen” van Hebreeuws צְחוֹק zn (tschok) "gelach"; in de betekenis van “spelen om geld” voor het eerst aangetroffen in de 17e eeuw (zie vindplaats hieronder)
Woordfamilie van gokken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegokt | voltooid deelwoord | gokken |
| gokke | aanvoegende wijs | gokken |
| gokkend | onvoltooid deelwoord | gokken |
| gokkende | woordvorm | gokken |
| gokt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gokken |
| gokte | verleden tijd | gokken |
| gokten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gokken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gokken zijn vastgelegd.