gelijk
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, werkwoord /ɣə'lɛɪk/Betekenis
- juistheid, recht
- met elkaar overeenstemmend
Hoe spreek je gelijk uit?
/xəˈlɛik/
Gelijk bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ɛi | trein |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelijken
- gebiedende wijs van gelijken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelijken
Vervoeging van gelijk
gelijkhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘overeenkomend’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van gelijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelijker | woordvorm | gelijk |
| gelijkere | woordvorm | gelijk |
| gelijkers | woordvorm | gelijk |
| gelijks | woordvorm | gelijk |
| gelijkst | woordvorm | gelijk |
| gelijkste | woordvorm | gelijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gelijk zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- gelijkaardig
- gelijkbenig
- gelijkelijk
- gelijkgezind
- gelijkheid
- gelijklopen
- gelijkmaken
- gelijkmatig
- gelijkmoedig
- gelijknamig
- gelijkrichten
- gelijkschakelen
- gelijksoortig
- gelijkspanning
- gelijkspel
- gelijkspelen
- gelijkstaan
- gelijkstellen
- gelijkstemmen
- gelijkstroom
- gelijktijdig
- gelijktrekken
- gelijkvloers
- gelijkvormig