praktijk
zelfstandig naamwoord prɑkˈtɛikBetekenis
- de ruimte waarin bijvoorbeeld een arts, fysiotherapeut of advocaat zijn/haar beroep uitoefent
- hoe dingen werkelijk gaan, soms in tegenstelling tot hoe zaken in theorie zouden moeten functioneren
- lessen waarin zoveel mogelijk gewerkt wordt op de manier zoals dat in de beroepsuitoefening gaat
- gewoonte(n), manier van doen, handeling(en).
Hoe spreek je praktijk uit?
/prɑkˈtɛik/
Praktijk bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| t | tak |
| ɛi | trein |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| praktijken | canonical |
| praktijken | enkelvoud |
| praktijkje | verkleinwoord |
| praktijkjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Herkomst
van Middelnederlands practike, in de betekenis van ‘toepassing’ voor aangetroffen vanaf 1240
Woordfamilie van praktijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| praktijkje | verkleinwoord | praktijk |
| praktijkjes | verkleinwoord | praktijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van praktijk zijn vastgelegd.