ongelijk
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord ˌɔnɣəˈlɛikBetekenis
- ongelijk hebben: iets niet goed of op een verkeerde manier begrijpen
- niet met elkaar overeenstemmend, verschillend
- oneffen
- onregelmatig
Hoe spreek je ongelijk uit?
/ˌɔnxəˈlɛik/
Ongelijk bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ɛi | trein |
| k | kat |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Herkomst
afgeleid van gelijk met het voorvoegsel on-
Woordfamilie van ongelijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ongelijke | woordvorm | ongelijk |
| ongelijker | woordvorm | ongelijk |
| ongelijkere | woordvorm | ongelijk |
| ongelijkers | woordvorm | ongelijk |
| ongelijks | woordvorm | ongelijk |
| ongelijkst | woordvorm | ongelijk |
| ongelijkste | woordvorm | ongelijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ongelijk zijn vastgelegd.