Naar de inhoud

gelijklopen

nooit een onderling verschil in tijd vertonen

gelijklopen

werkwoord /ɣəˈlɛiklopə(n)/

Betekenis

  1. nooit een onderling verschil in tijd vertonen
  2. de juiste tijd aangeven

Hoe spreek je gelijklopen uit?

/xəˈlɛiklopən/

Gelijklopen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /xəˈlɛiklopən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
x acht
ə de
l land
ɛi trein
k kat
o boot
p pak
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van gelijklopen

gelijklopenhele werkwoord — liep gelijkverleden tijd enkelvoud — liepen gelijkverleden tijd meervoud — gelijkgelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop gelijk liep gelijk
jij loopt gelijk liep gelijk
hij, zij, het loopt gelijk liep gelijk
wij lopen gelijk liepen gelijk
jullie lopen gelijk liepen gelijk
zij lopen gelijk liepen gelijk
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gelijk te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gelijk te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijk zal lopen bijzin, toekomende tijd
gelijk zou lopen bijzin, voorwaardelijk
gelijk zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
gelijk zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
gelijk zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijk zullen lopen bijzin, toekomende tijd
gelijk zult lopen bijzin, toekomende tijd
gelijkgelopen verleden tijd, deelwoord
gelijkgelopen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijkgelopen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijkliep bijzin, verleden tijd
gelijkliepen bijzin, verleden tijd
gelijkloop bijzin, tegenwoordige tijd
gelijkloopt bijzin, tegenwoordige tijd
gelijklopend onvoltooid, deelwoord
had gelijkgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gelijkgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gelijkgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gelijkgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gelijkgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gelijkgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gelijkgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gelijkgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelijkgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gelijkgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelijkgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gelijkgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gelijkgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelijkgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelijkgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep gelijk verleden tijd
loop gelijk gebiedende wijs
te hebben gelijkgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gelijklopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gelijkgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelijkgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gelijkgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gelijklopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gelijklopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gelijklopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gelijklopen bijzin, toekomende tijd
zou gelijkgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelijkgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelijkgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gelijklopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gelijklopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gelijklopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gelijklopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) gelijklopen gelijk zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden gelijkgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gelijkgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gelijkgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelijklopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gelijklopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gelijklopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gelijklopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt gelijkgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelijklopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gelijklopen bijzin, voorwaardelijk
zullen gelijkgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gelijkgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gelijkgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelijklopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gelijklopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gelijklopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gelijklopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gelijklopen bijzin, toekomende tijd
zult gelijkgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gelijklopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gelijklopen bijzin, toekomende tijd
zult/zal gelijklopen gelijk zult/zal lopen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van gelijk bw en lopen ww

Woordfamilie van gelijklopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gelijkgelopen voltooid deelwoord gelijklopen
gelijkliep subordinate-clause, verleden tijd gelijklopen
gelijkliepen subordinate-clause, verleden tijd gelijklopen
gelijkloop subordinate-clause, tegenwoordige tijd gelijklopen
gelijkloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd gelijklopen
gelijklope with-subordinate-clause gelijklopen
gelijklopend onvoltooid deelwoord gelijklopen
gelijklopende woordvorm gelijklopen
liep gelijk verleden tijd gelijklopen
liepen gelijk aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon gelijklopen
loop gelijk gebiedende wijs gelijklopen
loopt gelijk aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon gelijklopen
lope gelijk woordvorm gelijklopen
lopen gelijk aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon gelijklopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gelijklopen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over gelijklopen

Hoe spreek ik gelijklopen uit?
Zo spreek je gelijklopen uit: /ɣəˈlɛiklopə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van gelijklopen?
Gelijklopen is een werkwoord. De betekenis is: nooit een onderling verschil in tijd vertonen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik gelijklopen?
Zo vervoeg je gelijklopen zo: het voltooid deelwoord is gelijkgelopen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord gelijklopen is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. I 1
  5. J 4
  6. K 3
  7. L 3
  8. O 1
  9. P 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

gelijklopen levert met Wordfeud minimaal 26 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. I 2
  5. J 4
  6. K 3
  7. L 3
  8. O 1
  9. P 4
  10. E 1
  11. N 1
  12. 26 zonder bonus
  13. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

gelijklopen in het kort

gelijklopen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van gelijklopen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort gelijklopen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

gelijklopen: nooit een onderling verschil in tijd vertonen
Deel gelijklopen — standaardnederlands.nl