lijk
zelfstandig naamwoord, werkwoord lɛikBetekenis
- dood lichaam, met name van een mens
- tegenwoordig, een zijde van een zeil, vroeger de omzoomde zeilrand (zoomtouw) waarin een touw was ingenaaid
Hoe spreek je lijk uit?
/lɛik/
Lijk bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛi | trein |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lijken | meervoud |
| lijkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lijkjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijken
- gebiedende wijs van lijken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijken
Vervoeging van lijk
lijkhele werkwoord
Woordfamilie van lijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lijkje | verkleinwoord | lijk |
| lijkjes | verkleinwoord meervoud | lijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lijk zijn vastgelegd.