gelijkschakelen
werkwoordBetekenis
- iets hetzelfde instellen aan een andere
- een organisatie dwingen de naziboodschap uit te brengen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van gelijkschakelen
gelijkschakelenhele werkwoord — schakelde gelijkverleden tijd enkelvoud — schakelden gelijkverleden tijd meervoud — gelijkgeschakeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schakel gelijk | schakelde gelijk |
| jij | schakelt gelijk | schakelde gelijk |
| hij, zij, het | schakelt gelijk | schakelde gelijk |
| wij | schakelen gelijk | schakelden gelijk |
| jullie | schakelen gelijk | schakelden gelijk |
| zij | schakelen gelijk | schakelden gelijk |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gelijkgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gelijkgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gelijkgeschakeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gelijkgeschakeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gelijkgeschakeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gelijkgeschakeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gelijkgeschakeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gelijkgeschakeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gelijkgeschakeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gelijkgeschakeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gelijk te schakelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gelijk te zullen schakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelijk zal schakelen | bijzin, toekomende tijd |
| gelijk zou schakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| gelijk zouden schakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| gelijk zoudt schakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| gelijk zullen schakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelijk zullen schakelen | bijzin, toekomende tijd |
| gelijk zult schakelen | bijzin, toekomende tijd |
| gelijkgeschakeld | verleden tijd, deelwoord |
| gelijkgeschakeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gelijkgeschakeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gelijkgeschakeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelijkgeschakeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelijkgeschakeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelijkgeschakeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gelijkgeschakeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gelijkgeschakeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelijkgeschakeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelijkgeschakeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelijkschakel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| gelijkschakelde | bijzin, verleden tijd |
| gelijkschakelden | bijzin, verleden tijd |
| gelijkschakelend | onvoltooid, deelwoord |
| gelijkschakelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| had gelijkgeschakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelijkgeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelijkgeschakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelijkgeschakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelijkgeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelijkgeschakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelijkgeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelijkgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelijkgeschakeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelijkgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelijkgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelijkgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelijkgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelijkgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelijkgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gelijkgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gelijkgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schakel gelijk | gebiedende wijs |
| schakelde gelijk | verleden tijd |
| te hebben gelijkgeschakeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gelijkschakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gelijkgeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gelijkgeschakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gelijkgeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gelijkgeschakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gelijkgeschakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gelijkgeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gelijkgeschakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gelijkgeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gelijkgeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gelijkgeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gelijkgeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gelijkgeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gelijkgeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gelijkgeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gelijkgeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gelijkgeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gelijkgeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gelijkgeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gelijkgeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gelijkgeschakeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gelijkgeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelijkgeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelijkgeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gelijkgeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelijkgeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gelijkgeschakeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelijkgeschakeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gelijkschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gelijkschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gelijkschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gelijkschakelen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn gelijkgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gelijkgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gelijkgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gelijkgeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gelijkgeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelijkgeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelijkgeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gelijkgeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelijkgeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gelijkgeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelijkgeschakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelijkgeschakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelijkgeschakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gelijkschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gelijkschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gelijkschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelijkschakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) gelijkschakelen gelijk zou(dt) schakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden gelijkgeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelijkgeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelijkgeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gelijkgeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gelijkgeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gelijkgeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gelijkgeschakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelijkgeschakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelijkgeschakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gelijkschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gelijkschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gelijkschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gelijkschakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt gelijkgeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gelijkgeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gelijkgeschakeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gelijkschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gelijkschakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen gelijkgeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelijkgeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelijkgeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gelijkgeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gelijkgeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gelijkgeschakeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gelijkgeschakeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelijkgeschakeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelijkgeschakeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gelijkschakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gelijkschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gelijkschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gelijkschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gelijkschakelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult gelijkgeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van gelijk en schakelen
Woordfamilie van gelijkschakelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelijkgeschakeld | voltooid deelwoord | gelijkschakelen |
| gelijkschakel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | gelijkschakelen |
| gelijkschakelde | subordinate-clause, verleden tijd | gelijkschakelen |
| gelijkschakelden | subordinate-clause, verleden tijd | gelijkschakelen |
| gelijkschakele | with-subordinate-clause | gelijkschakelen |
| gelijkschakelend | onvoltooid deelwoord | gelijkschakelen |
| gelijkschakelende | woordvorm | gelijkschakelen |
| gelijkschakelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | gelijkschakelen |
| schakel gelijk | gebiedende wijs | gelijkschakelen |
| schakelde gelijk | verleden tijd | gelijkschakelen |
| schakelden gelijk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gelijkschakelen |
| schakele gelijk | woordvorm | gelijkschakelen |
| schakelen gelijk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | gelijkschakelen |
| schakelt gelijk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gelijkschakelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gelijkschakelen zijn vastgelegd.