gelijkstaan
werkwoord ɣəˈlɛikstanBetekenis
- ~ aan op hetzelfde neerkomen
- een gelijk aantal punten hebben in een wedstrijd
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je gelijkstaan uit?
/xəˈlɛikstan/
Gelijkstaan bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ɛi | trein |
| k | kat |
| s | sok |
| t | tak |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van gelijkstaan
gelijkstaanhele werkwoord — stond gelijkverleden tijd enkelvoud — stonden gelijkverleden tijd meervoud — gelijkgestaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sta gelijk | stond gelijk |
| jij | staat gelijk | stond gelijk |
| hij, zij, het | staat gelijk | stond gelijk |
| wij | staan gelijk | stonden gelijk |
| jullie | staan gelijk | stonden gelijk |
| zij | staan gelijk | stonden gelijk |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gelijk te staan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gelijk te zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelijk zal staan | bijzin, toekomende tijd |
| gelijk zou staan | bijzin, voorwaardelijk |
| gelijk zouden staan | bijzin, voorwaardelijk |
| gelijk zoudt staan | bijzin, voorwaardelijk |
| gelijk zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelijk zullen staan | bijzin, toekomende tijd |
| gelijk zult staan | bijzin, toekomende tijd |
| gelijkgestaan | verleden tijd, deelwoord |
| gelijkgestaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelijkgestaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gelijksta | bijzin, tegenwoordige tijd |
| gelijkstaand | onvoltooid, deelwoord |
| gelijkstaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| gelijkstond | bijzin, verleden tijd |
| gelijkstonden | bijzin, verleden tijd |
| gelijkstondt | bijzin, verleden tijd |
| had gelijkgestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelijkgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelijkgestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelijkgestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelijkgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelijkgestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelijkgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelijkgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelijkgestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelijkgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelijkgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelijkgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelijkgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelijkgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelijkgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sta gelijk | gebiedende wijs |
| stond gelijk | verleden tijd |
| te hebben gelijkgestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gelijkstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelijkgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelijkgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelijkgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gelijkstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gelijkstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gelijkstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gelijkstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zou gelijkgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelijkgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelijkgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gelijkstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gelijkstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gelijkstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelijkstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) gelijkstaan gelijk zou(dt) staan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden gelijkgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelijkgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelijkgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gelijkstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gelijkstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gelijkstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gelijkstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt gelijkgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gelijkstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gelijkstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen gelijkgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelijkgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelijkgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gelijkstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gelijkstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gelijkstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gelijkstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gelijkstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult gelijkgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gelijkstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gelijkstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal gelijkstaan gelijk zult/zal staan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van gelijk en staan
Woordfamilie van gelijkstaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelijkgestaan | voltooid deelwoord | gelijkstaan |
| gelijksta | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | gelijkstaan |
| gelijkstaand | onvoltooid deelwoord | gelijkstaan |
| gelijkstaande | woordvorm | gelijkstaan |
| gelijkstaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | gelijkstaan |
| gelijkstond | subordinate-clause, verleden tijd | gelijkstaan |
| gelijkstonden | subordinate-clause, verleden tijd | gelijkstaan |
| sta gelijk | gebiedende wijs | gelijkstaan |
| staan gelijk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | gelijkstaan |
| staat gelijk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gelijkstaan |
| stond gelijk | verleden tijd | gelijkstaan |
| stonden gelijk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gelijkstaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gelijkstaan zijn vastgelegd.