wijk
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ʋɛi̯k/Betekenis
- een bewoond deel van een stad of een gemeente
- een watergang
Hoe spreek je wijk uit?
/wɛik/
Wijk bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɛi | trein |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wijken | meervoud |
| wijkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wijkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijken
- gebiedende wijs van wijken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijken
Vervoeging van wijk
wijkhele werkwoord
Herkomst
Van Latijn vicus. In de betekenis van ‘stadsdeel’ voor het eerst aangetroffen in 855
Woordfamilie van wijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wijkje | verkleinwoord | wijk |
| wijkjes | verkleinwoord meervoud | wijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wijk zijn vastgelegd.