blijk
zelfstandig naamwoord, werkwoord blɛɪkBetekenis
- een teken waaruit iets blijkt, bijvoorbeeld deelname
Hoe spreek je blijk uit?
/blɛik/
Blijk bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| l | land |
| ɛi | trein |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blijken | meervoud |
| blijkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| blijkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blijken
- gebiedende wijs van blijken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blijken
Vervoeging van blijk
blijkhele werkwoord
Woordfamilie van blijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blijkje | verkleinwoord | blijk |
| blijkjes | verkleinwoord meervoud | blijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blijk zijn vastgelegd.