Naar de inhoud

gelijkstellen

zeggen dat iets gelijk is zonder dat het dat ook echt is

gelijkstellen

werkwoord

Betekenis

  1. zeggen dat iets gelijk is zonder dat het dat ook echt is
  2. gelijke rechten toekennen

werkwoord

  1. twee wiskundige uitdrukkingen aan elkaar koppelen met een isgelijkteken om er een vergelijking van te maken

Vervoeging van gelijkstellen

gelijkstellenhele werkwoord — stelde gelijkverleden tijd enkelvoud — stelden gelijkverleden tijd meervoud — gelijkgesteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stel gelijk stelde gelijk
jij stelt gelijk stelde gelijk
hij, zij, het stelt gelijk stelde gelijk
wij stellen gelijk stelden gelijk
jullie stellen gelijk stelden gelijk
zij stellen gelijk stelden gelijk
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gelijkgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gelijkgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gelijkgesteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gelijkgesteld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gelijkgesteld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gelijkgesteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gelijkgesteld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gelijkgesteld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gelijkgesteld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gelijkgesteld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gelijk te stellen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gelijk te zullen stellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijk zal stellen bijzin, toekomende tijd
gelijk zou stellen bijzin, voorwaardelijk
gelijk zouden stellen bijzin, voorwaardelijk
gelijk zoudt stellen bijzin, voorwaardelijk
gelijk zullen stellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijk zullen stellen bijzin, toekomende tijd
gelijk zult stellen bijzin, toekomende tijd
gelijkgesteld verleden tijd, deelwoord
gelijkgesteld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gelijkgesteld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gelijkgesteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijkgesteld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijkgesteld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijkgesteld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gelijkgesteld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gelijkgesteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijkgesteld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijkgesteld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijkstel bijzin, tegenwoordige tijd
gelijkstelde bijzin, verleden tijd
gelijkstelden bijzin, verleden tijd
gelijkstellend onvoltooid, deelwoord
gelijkstelt bijzin, tegenwoordige tijd
had gelijkgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gelijkgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gelijkgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gelijkgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gelijkgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gelijkgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gelijkgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gelijkgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelijkgesteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gelijkgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelijkgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gelijkgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gelijkgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelijkgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelijkgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gelijkgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gelijkgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stel gelijk gebiedende wijs
stelde gelijk verleden tijd
te hebben gelijkgesteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gelijkstellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gelijkgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gelijkgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gelijkgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gelijkgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gelijkgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gelijkgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gelijkgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gelijkgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gelijkgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gelijkgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gelijkgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gelijkgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gelijkgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gelijkgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gelijkgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gelijkgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gelijkgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gelijkgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gelijkgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gelijkgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gelijkgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelijkgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gelijkgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gelijkgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelijkgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gelijkgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelijkgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gelijkstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gelijkstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gelijkstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gelijkstellen bijzin, toekomende tijd
zijn gelijkgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gelijkgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gelijkgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gelijkgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gelijkgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelijkgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelijkgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gelijkgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelijkgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gelijkgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelijkgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelijkgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelijkgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gelijkstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gelijkstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gelijkstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gelijkstellen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) gelijkstellen gelijk zou(dt) stellen bijzin, voorwaardelijk
zouden gelijkgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gelijkgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gelijkgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelijkgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gelijkgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gelijkgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelijkgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gelijkgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gelijkgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelijkstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gelijkstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gelijkstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gelijkstellen bijzin, voorwaardelijk
zoudt gelijkgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelijkgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelijkgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelijkstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gelijkstellen bijzin, voorwaardelijk
zullen gelijkgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gelijkgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gelijkgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelijkgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gelijkgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gelijkgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelijkgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gelijkgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gelijkgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelijkstellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gelijkstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gelijkstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gelijkstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gelijkstellen bijzin, toekomende tijd
zult gelijkgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van gelijk en stellen

Woordfamilie van gelijkstellen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gelijkgesteld voltooid deelwoord gelijkstellen
gelijkgestelde woordvorm gelijkstellen
gelijkstel subordinate-clause, tegenwoordige tijd gelijkstellen
gelijkstelde subordinate-clause, verleden tijd gelijkstellen
gelijkstelden subordinate-clause, verleden tijd gelijkstellen
gelijkstelle with-subordinate-clause gelijkstellen
gelijkstellend onvoltooid deelwoord gelijkstellen
gelijkstellende woordvorm gelijkstellen
gelijkstelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd gelijkstellen
stel gelijk gebiedende wijs gelijkstellen
stelde gelijk verleden tijd gelijkstellen
stelden gelijk aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon gelijkstellen
stelle gelijk woordvorm gelijkstellen
stellen gelijk aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon gelijkstellen
stelt gelijk aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon gelijkstellen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gelijkstellen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over gelijkstellen

Wat is de betekenis van gelijkstellen?
Gelijkstellen is een werkwoord. De betekenis is: zeggen dat iets gelijk is zonder dat het dat ook echt is. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik gelijkstellen?
Zo vervoeg je gelijkstellen zo: het voltooid deelwoord is gelijkgesteld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord gelijkstellen is 28 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. I 1
  5. J 4
  6. K 3
  7. S 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. L 3
  11. L 3
  12. E 1
  13. N 1
  14. 28 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

gelijkstellen levert met Wordfeud minimaal 29 en maximaal 111 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. I 2
  5. J 4
  6. K 3
  7. S 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. L 3
  11. L 3
  12. E 1
  13. N 1
  14. 29 zonder bonus
  15. 111 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

gelijkstellen in het kort

gelijkstellen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van gelijkstellen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort gelijkstellen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

gelijkstellen: zeggen dat iets gelijk is zonder dat het dat ook echt is
Deel gelijkstellen — standaardnederlands.nl