dijk
zelfstandig naamwoord, werkwoord dɛikBetekenis
- een opgeworpen aarden wal op het land meestal bestemd als waterkering ter directe bescherming van het achterliggende land
- een kunstmatig aangelegde, hoger gelegen, rechte weg door een (voormalig) moerassig gebied, moerdijk (?)
Hoe spreek je dijk uit?
/dɛik/
Dijk bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɛi | trein |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- opgeworpen aarden wal op het land meestal bestemd als waterkering ter directe bescherming van het achterliggende land
- bescherming tegen onheil figuratively
- kunstmatig aangelegde, hoger gelegen, rechte weg door een (voormalig) moerassig gebied, moerdijk (?)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dijken | enkelvoud |
| dijkje | verkleinwoord |
| dijkjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dijken
- gebiedende wijs van dijken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dijken
Vervoeging van dijk
dijkhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] dijk | canonical |
zelfstandig naamwoord
- mannelijk ogende lesbienne informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dijken | enkelvoud |
Woordfamilie van dijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dijkje | verkleinwoord | dijk |
| dijkjes | verkleinwoord | dijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dijk zijn vastgelegd.