Naar de inhoud

gelijkrichten

dezelfde richting laten krijgen

gelijkrichten

werkwoord

Betekenis

  1. dezelfde richting laten krijgen
  2. wisselstroom in gelijkstroom veranderen

Vervoeging van gelijkrichten

gelijkrichtenhele werkwoord — richtte gelijkverleden tijd enkelvoud — richtten gelijkverleden tijd meervoud — gelijkgerichtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik richt gelijk richtte gelijk
jij richt gelijk richtte gelijk
hij, zij, het richt gelijk richtte gelijk
wij richten gelijk richtten gelijk
jullie richten gelijk richtten gelijk
zij richten gelijk richtten gelijk
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gelijkgericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gelijkgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gelijkgericht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gelijkgericht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gelijkgericht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gelijkgericht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gelijkgericht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gelijkgericht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gelijkgericht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gelijkgericht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gelijk te richten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gelijk te zullen richten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijk zal richten bijzin, toekomende tijd
gelijk zou richten bijzin, voorwaardelijk
gelijk zouden richten bijzin, voorwaardelijk
gelijk zoudt richten bijzin, voorwaardelijk
gelijk zullen richten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijk zullen richten bijzin, toekomende tijd
gelijk zult richten bijzin, toekomende tijd
gelijkgericht verleden tijd, deelwoord
gelijkgericht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gelijkgericht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gelijkgericht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijkgericht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijkgericht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelijkgericht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gelijkgericht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gelijkgericht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijkgericht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijkgericht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelijkricht bijzin, tegenwoordige tijd
gelijkrichtend onvoltooid, deelwoord
gelijkrichtte bijzin, verleden tijd
gelijkrichtten bijzin, verleden tijd
had gelijkgericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gelijkgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gelijkgericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gelijkgericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gelijkgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gelijkgericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gelijkgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gelijkgericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelijkgericht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gelijkgericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelijkgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gelijkgericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gelijkgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelijkgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelijkgericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gelijkgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gelijkgericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
richt gelijk gebiedende wijs
richtte gelijk verleden tijd
te hebben gelijkgericht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen gelijkrichten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gelijkgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gelijkgericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gelijkgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gelijkgericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gelijkgericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gelijkgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gelijkgericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gelijkgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gelijkgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gelijkgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gelijkgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gelijkgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gelijkgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gelijkgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gelijkgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gelijkgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gelijkgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gelijkgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gelijkgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gelijkgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gelijkgericht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelijkgericht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gelijkgericht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gelijkgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelijkgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gelijkgericht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelijkgericht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gelijkrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal gelijkrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal gelijkrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gelijkrichten bijzin, toekomende tijd
zijn gelijkgericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gelijkgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gelijkgericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gelijkgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gelijkgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelijkgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelijkgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gelijkgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelijkgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gelijkgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelijkgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelijkgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelijkgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gelijkrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou gelijkrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou gelijkrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gelijkrichten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) gelijkrichten gelijk zou(dt) richten bijzin, voorwaardelijk
zouden gelijkgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gelijkgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gelijkgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelijkgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gelijkgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gelijkgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelijkgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gelijkgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gelijkgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelijkrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gelijkrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gelijkrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gelijkrichten bijzin, voorwaardelijk
zoudt gelijkgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelijkgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelijkgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelijkrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gelijkrichten bijzin, voorwaardelijk
zullen gelijkgericht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gelijkgericht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gelijkgericht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelijkgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gelijkgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gelijkgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelijkgericht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gelijkgericht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gelijkgericht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelijkrichten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen gelijkrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gelijkrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gelijkrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gelijkrichten bijzin, toekomende tijd
zult gelijkgericht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gelijkgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van gelijk en richten

Woordfamilie van gelijkrichten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gelijkgericht voltooid deelwoord gelijkrichten
gelijkricht subordinate-clause, tegenwoordige tijd gelijkrichten
gelijkrichte with-subordinate-clause gelijkrichten
gelijkrichtend onvoltooid deelwoord gelijkrichten
gelijkrichtende woordvorm gelijkrichten
gelijkrichtte subordinate-clause, verleden tijd gelijkrichten
gelijkrichtten subordinate-clause, verleden tijd gelijkrichten
richt gelijk gebiedende wijs gelijkrichten
richte gelijk woordvorm gelijkrichten
richten gelijk aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon gelijkrichten
richtte gelijk verleden tijd gelijkrichten
richtten gelijk aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon gelijkrichten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gelijkrichten zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over gelijkrichten

Wat betekent gelijkrichten?
Gelijkrichten is een werkwoord. Het woord betekent: dezelfde richting laten krijgen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je gelijkrichten?
Je vervoegt gelijkrichten als volgt: het voltooid deelwoord is gelijkgericht. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord gelijkrichten is 31 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. I 1
  5. J 4
  6. K 3
  7. R 2
  8. I 1
  9. C 5
  10. H 4
  11. T 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 31 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

gelijkrichten levert met Wordfeud minimaal 33 en maximaal 129 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. I 2
  5. J 4
  6. K 3
  7. R 2
  8. I 2
  9. C 5
  10. H 4
  11. T 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 33 zonder bonus
  15. 129 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

gelijkrichten in het kort

gelijkrichten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van gelijkrichten zijn 86 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort gelijkrichten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

gelijkrichten: dezelfde richting laten krijgen
Deel gelijkrichten — standaardnederlands.nl