tandartspraktijk
zelfstandig naamwoord ˈtɑndɑrtsprɑkˌtɛikBetekenis
- bedrijf dat door een tandarts wordt beheerd
- ruimte waarin een tandarts werkt
Hoe spreek je tandartspraktijk uit?
/ˈtɑndɑrtsprɑkˌtɛik/
Tandartspraktijk bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| r | rood |
| s | sok |
| p | pak |
| k | kat |
| ɛi | trein |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- hoe zaken gaan tijdens het beoefenen van het vak tandarts
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tandartspraktijken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van tandarts zn en praktijk zn
Woordfamilie van tandartspraktijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tandartspraktijken | meervoud | tandartspraktijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tandartspraktijk zijn vastgelegd.