Naar de inhoud

handelen

iets doen, al of niet met de handen, optreden

handelen is meer dan één woord

handelen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈhɑndələ(n)

Betekenis

  1. iets doen, al of niet met de handen, optreden
  2. handel drijven
  3. dat wat iets of iemand doet

Hoe spreek je handelen uit?

/ˈhɑndələn/

Handelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈhɑndələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
h hoed
ɑ bad
n nek
d dak
ə de
l land
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. iets doen, al of niet met de handen, optreden, gedrag unergative

Vervoeging van handelen

handelenhele werkwoord — handeldeverleden tijd enkelvoud — handeldenverleden tijd meervoud — gehandeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik handel handelde
jij handelt handelde
hij, zij, het handelt handelde
wij handelen handelden
jullie handelen handelden
zij handelen handelden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gehandeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gehandeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gehandeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gehandeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gehandeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gehandeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gehandeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gehandeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gehandeld verleden tijd, deelwoord
gehandeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehandeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gehandeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gehandeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gehandeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gehandeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gehandeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gehandeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gehandeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
handel gebiedende wijs
handelde verleden tijd
handele aanvoegende wijs
handelend onvoltooid, deelwoord
heb gehandeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehandeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gehandeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehandeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gehandeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gehandeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehandeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehandeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te handelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gehandeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen handelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gehandeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehandeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gehandeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal handelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal handelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal handelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gehandeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehandeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehandeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou handelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou handelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou handelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gehandeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gehandeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gehandeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden handelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden handelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden handelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gehandeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt handelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gehandeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gehandeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gehandeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen handelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen handelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen handelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen handelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gehandeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult handelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘doen, behandelen’ voor het eerst aangetroffen in 1236

Woordfamilie van handelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gehandeld voltooid deelwoord handelen
handelde verleden tijd handelen
handelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon handelen
handele aanvoegende wijs handelen
handelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon handelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van handelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over handelen

Hoe spreek je handelen uit?
De uitspraak van handelen is: /ˈhɑndələ(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent handelen?
Handelen is een werkwoord. Het woord betekent: iets doen, al of niet met de handen, optreden. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je handelen?
Je vervoegt handelen als volgt: de tegenwoordige tijd is handel, de verleden tijd is handelde en het voltooid deelwoord is gehandeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op handelen?

Op handelen rijmen 4 woorden, onder andere wandelen, mishandelen en onderhandelen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op handelen, uitspraak ˈhɑndələn, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
wandelen 3
mishandelen 4
onderhandelen 5
overheidshandelen 6

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord handelen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. A 1
  3. N 1
  4. D 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

handelen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. A 1
  3. N 1
  4. D 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

handelen in het kort

handelen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van handelen zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort handelen bij een woordfamilie van 5 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

handelen: iets doen, al of niet met de handen, optreden
Deel handelen — standaardnederlands.nl