checken
werkwoord /ˈtʃɛkən/Betekenis
- controleren, nakijken
Hoe spreek je checken uit?
/ˈtʃɛkən/
Checken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ʃ | sjaal |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van checken
checkenhele werkwoord — checkteverleden tijd enkelvoud — checktenverleden tijd meervoud — gechecktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | check | checkte |
| jij | checkt | checkte |
| hij, zij, het | checkt | checkte |
| wij | checken | checkten |
| jullie | checken | checkten |
| zij | checken | checkten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| check | gebiedende wijs |
| checke | aanvoegende wijs |
| checkend | onvoltooid, deelwoord |
| checkte | verleden tijd |
| er is gecheckt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gecheckt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gecheckt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gecheckt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gecheckt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gecheckt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gecheckt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gecheckt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecheckt | verleden tijd, deelwoord |
| gecheckt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gecheckt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gecheckt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecheckt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecheckt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecheckt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gecheckt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gecheckt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gecheckt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gecheckt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecheckt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecheckt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecheckt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecheckt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecheckt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te checken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecheckt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen checken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gecheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gecheckt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gecheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gecheckt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gecheckt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gecheckt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gecheckt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gecheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gecheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gecheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gecheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gecheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gecheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gecheckt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gecheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gecheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gecheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gecheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gecheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gecheckt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal checken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal checken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal checken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gecheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gecheckt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou checken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou checken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou checken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden checken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden checken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden checken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gecheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt checken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecheckt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gecheckt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen checken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen checken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen checken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen checken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gecheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult checken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecheckt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gecheckt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gecheckt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘controleren’ voor het eerst aangetroffen in 1950
Woordfamilie van checken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| checke | aanvoegende wijs | checken |
| checkend | onvoltooid deelwoord | checken |
| checkende | woordvorm | checken |
| checkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | checken |
| checkte | verleden tijd | checken |
| checkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | checken |
| gecheckt | voltooid deelwoord | checken |
| gecheckte | woordvorm | checken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van checken zijn vastgelegd.