check
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een controlerende actie
- schaak (bepaalde situatie tijdens het schaakspel waarin een vijandig stuk naar de koning kijkt)
- (Amerikaans Engels) cheque
- checken
- inspecteren
- controleren
- aanvinken
- aankruisen
- afvinken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| checkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| checkjes | verkleinwoord, meervoud |
| checks | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van checken
- gebiedende wijs van checken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van checken
Vervoeging van check
checkhele werkwoord
Herkomst
van het Engels
Woordfamilie van check
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| checkje | verkleinwoord | check |
| checkjes | verkleinwoord meervoud | check |
| checks | meervoud | check |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van check zijn vastgelegd.