samentrekken
werkwoord ˈsamə(n)ˌtrɛkə(n)Betekenis
- in elkaar trekken
Hoe spreek je samentrekken uit?
/ˈsamənˌtrɛkən/
Samentrekken bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| a | maan |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| t | tak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
werkwoord
- bij elkaar brengen transitive
Vervoeging van samentrekken
samentrekkenhele werkwoord — trok samenverleden tijd enkelvoud — trokken samenverleden tijd meervoud — samengetrokkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trek samen | trok samen |
| jij | trekt samen | trok samen |
| hij, zij, het | trekt samen | trok samen |
| wij | trekken samen | trokken samen |
| jullie | trekken samen | trokken samen |
| zij | trekken samen | trokken samen |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben samengetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent samengetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is samengetrokken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was samengetrokken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd samengetrokken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt samengetrokken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal samengetrokken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal samengetrokken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou samengetrokken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou samengetrokken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had samengetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had samengetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had samengetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden samengetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden samengetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden samengetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt samengetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb samengetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben samengetrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben samengetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben samengetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben samengetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt samengetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft samengetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft samengetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is samengetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is samengetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| samen te trekken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samen te zullen trekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samen zal trekken | bijzin, toekomende tijd |
| samen zou trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zouden trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zoudt trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zullen trekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samen zullen trekken | bijzin, toekomende tijd |
| samen zult trekken | bijzin, toekomende tijd |
| samengetrokken | verleden tijd, deelwoord |
| samengetrokken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samengetrokken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samengetrokken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengetrokken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengetrokken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengetrokken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| samengetrokken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| samengetrokken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samengetrokken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samengetrokken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samentrek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samentrekkend | onvoltooid, deelwoord |
| samentrekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samentrok | bijzin, verleden tijd |
| samentrokken | bijzin, verleden tijd |
| samentrokt | bijzin, verleden tijd |
| te hebben samengetrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen samentrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trek samen | gebiedende wijs |
| trok samen | verleden tijd |
| waart samengetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren samengetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren samengetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren samengetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was samengetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was samengetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was samengetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd samengetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd samengetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd samengetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden samengetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden samengetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden samengetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt samengetrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word samengetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden samengetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden samengetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden samengetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt samengetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt samengetrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal samengetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal samengetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal samengetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal samengetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal samentrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal samentrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal samentrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal samentrekken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn samengetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn samengetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn samengetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt samengetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou samengetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou samengetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou samengetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou samentrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou samentrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou samentrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou samentrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) samentrekken samen zou(dt) trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden samengetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden samengetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden samengetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samengetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samengetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samengetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samengetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden samengetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden samengetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samentrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samentrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samentrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden samentrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt samengetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samengetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samengetrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samentrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt samentrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen samengetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen samengetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen samengetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samengetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samengetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samengetrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samengetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen samengetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen samengetrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samentrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen samentrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samentrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samentrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen samentrekken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van samen bw en trekken ww
Woordfamilie van samentrekken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| samengetrokken | voltooid deelwoord | samentrekken |
| samentrek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samentrekken |
| samentrekke | with-subordinate-clause | samentrekken |
| samentrekkend | onvoltooid deelwoord | samentrekken |
| samentrekkende | woordvorm | samentrekken |
| samentrekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samentrekken |
| samentrok | subordinate-clause, verleden tijd | samentrekken |
| samentrokken | subordinate-clause, verleden tijd | samentrekken |
| trek samen | gebiedende wijs | samentrekken |
| trekke samen | woordvorm | samentrekken |
| trekken samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | samentrekken |
| trekt samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | samentrekken |
| trok samen | verleden tijd | samentrekken |
| trokken samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | samentrekken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samentrekken zijn vastgelegd.