uitrekken
werkwoord /œytˈrɛkə(n)/Betekenis
- door trekken of uitstrekken groter maken
Hoe spreek je uitrekken uit?
/œytˈrɛkən/
Uitrekken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitrekken
uitrekkenhele werkwoord — rekte uitverleden tijd enkelvoud — rekten uitverleden tijd meervoud — uitgerektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rek uit | rekte uit |
| jij | rekt uit | rekte uit |
| hij, zij, het | rekt uit | rekte uit |
| wij | rekken uit | rekten uit |
| jullie | rekken uit | rekten uit |
| zij | rekken uit | rekten uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgerekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgerekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgerekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgerekt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgerekt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgerekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgerekt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgerekt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgerekt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgerekt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgerekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgerekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgerekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgerekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgerekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgerekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgerekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgerekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgerekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgerekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgerekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgerekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgerekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgerekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgerekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgerekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgerekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rek uit | gebiedende wijs |
| rekte uit | verleden tijd |
| te hebben uitgerekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te rekken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen rekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal rekken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou rekken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden rekken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt rekken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen rekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen rekken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult rekken | bijzin, toekomende tijd |
| uitgerekt | verleden tijd, deelwoord |
| uitgerekt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgerekt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgerekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgerekt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgerekt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgerekt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgerekt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgerekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgerekt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgerekt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitrek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitrekkend | onvoltooid, deelwoord |
| uitrekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitrekte | bijzin, verleden tijd |
| uitrekten | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgerekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgerekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgerekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgerekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgerekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgerekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgerekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgerekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgerekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgerekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgerekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgerekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgerekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgerekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgerekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgerekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgerekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgerekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgerekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgerekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgerekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgerekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgerekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgerekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgerekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgerekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgerekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitrekken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgerekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgerekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgerekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgerekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgerekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgerekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgerekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgerekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgerekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgerekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgerekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgerekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgerekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitrekken uit zou(dt) rekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgerekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgerekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgerekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgerekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgerekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgerekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgerekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgerekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgerekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgerekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgerekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgerekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgerekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgerekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgerekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgerekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgerekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgerekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgerekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgerekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgerekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitrekken | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgerekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en rekken ww
Woordfamilie van uitrekken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rek uit | gebiedende wijs | uitrekken |
| rekke uit | woordvorm | uitrekken |
| rekken uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitrekken |
| rekt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitrekken |
| rekte uit | verleden tijd | uitrekken |
| rekten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitrekken |
| uitgerekt | voltooid deelwoord | uitrekken |
| uitrek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitrekken |
| uitrekke | with-subordinate-clause | uitrekken |
| uitrekkend | onvoltooid deelwoord | uitrekken |
| uitrekkende | woordvorm | uitrekken |
| uitrekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitrekken |
| uitrekte | subordinate-clause, verleden tijd | uitrekken |
| uitrekten | subordinate-clause, verleden tijd | uitrekken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitrekken zijn vastgelegd.